vrijdag 13 februari 2026

Intermezzo – Ganzen

Vanochtend vlogen ze weer over, ganzen. Zoals zo vaak. Hele zwermen ganzen, komend vanuit noordoostelijke richting, ogenschijnlijk onderweg naar het zuidwesten. Tegen het vallen van de avond vliegen ze vaak in tegengestelde richting over, zoals nu, terwijl ik dit stukje tik. Waar komen ze vandaan? Waar gaan ze naartoe? Vliegen ze van de Maas naar de Peel en vice versa? Vliegen ze heen om te gaan foerageren (een woord dat voedsel zoeken uittilt boven een alledaagse bezigheid) en terug om te gaan slapen? En bovenal: wat bezielt de gans?


Ik zie ze, ik hoor ze, ik merk ze op, ze fascineren me. Maar ganzen ontroeren me niet. Bij Rutger Kopland (1934-2012) was dat anders. Voor zijn serie Van de schoonheid en de troost sprak Wim Kayzer in 2000 met de dichter. ‘Wat zijn de momenten waarop je ontroerd wordt?’, vraagt Kayzer op een gegeven moment. Kopland probeert een antwoord te formuleren maar concludeert uiteindelijk: ‘Dit zijn vage dingen waar moeilijk over te praten valt. Je kunt het wat mij betreft nog het beste duidelijk maken met dichtregels.’ Daarop leest hij zijn gedicht Over diepte voor:

Wat bedoelde je toen je zei: diepte
dat is een woord voor wat ik nu voel – diepte.

Er vloog een kleine groep ganzen over,
een ijskoude glasheldere hemel in december.

Dat is wat ik bedoel zei je: ganzen
godvergeten hoog hun dunne geschreeuw
wat is het dat alleen zijn samen
dat blinde lot

weten van die diepte die we hemel noemen
et is een heel oud gevoel – soort medelijden
ouder dan ik

ik heb dit mijn leven lang gezien en gehoord
ik heb als kind gedroomd dat ze me mee wilden nemen
ik weet nu dat ik ergens zou worden achtergelaten.

We bleven kijken en luisteren.


Daarop vervolgt Kopland: ‘Je vraag was: laat nou eens zien wat zo’n moment van ontroering eigenlijk is. Nou, dat zijn ganzen die ’s winters door de hemel vliegen. En dat mompelende gejammer van die dieren die ergens vandaan komen, ergens heen moeten en daar door die ijskoude lucht achter elkaar aanvliegen, elkaar afwisselen en solidair zijn met elkaar, een soort saamhorigheid en een soort loyaliteit. En tegelijkertijd ook dat oude daarin, van god, hoe lang heb ik dit al gehoord? Dit is een geluid dat ik al zó lang ken. Dat ken ik al zo lang als ik besta, ik ken het eigenlijk al langer dan ik er ben. Ik zal het nóg horen als ik dood ben, bij wijze van spreken. Dat ontroert me, dat geschreeuw van die beesten. Dat probeer ik dan duidelijk te maken. Dat is een ander antwoord dan wanneer je daar heel veel woorden voor probeert te vinden. Kayzer: ‘Dit is een goed antwoord.’ Kopland: ‘Ontroering is ganzen. Luister maar.’


Ontroering is ook luisteren naar Kopland en Kayzer. Ontroering zijn ook al die afleveringen van Van de Schoonheid en de troost

N.B. Bekijk hier de aflevering met Kopland (het fragment over ganzen en ontroering is te zien van 52.18 tot 58.51 minuten):

Geen opmerkingen:

Een reactie posten