Posts tonen met het label Parkhotel. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Parkhotel. Alle posts tonen

maandag 12 januari 2015

Intermezzo – Complexen en gebouwen (2)

Toen het stukje over complexen en gebouwen (klik hier) klaar was, stuurde ik het naar Anthony Wijnen met de vraag of hij er zich mee kon verenigen. Ik kreeg een heel epistel terug. Dat sloot hij af met de opmerking ‘Wim, ik weid nogal uit, maar hoop dat je hier één of twee zinnen uit kan halen, ha ha’. Maar ik zou het zonde vinden er één of twee zinnen uit te halen. De reactie van Anthony biedt namelijk een prachtig inkijkje in de denkwereld van een stedenbouwkundige, ook nog gelardeerd met Horster voorbeelden. Intermezzo – Complexen en gebouwen (1) (klik hier) moet daarom worden gezien als mijn interpretatie van wat Anthony over complexen en gebouwen te zeggen heeft. In dit stukje nuanceert en verdiept Anthony dat eerste stukje in eigen woorden.   

‘Een stedenbouwkundige kijkt in de regel naar de samenhang der dingen. Tussen de ene plek en de andere, tussen gebouwen en openbare ruimte, tussen gebouwen onderling. Je snapt wel dat de beoordeling van deze samenhang deels subjectief is omdat het gaat om een gevoel: een gevoel voor schaal en verhoudingen.’
‘Het gaat niet zozeer over mooi of lelijk als wel over communicatie. Een gebouw draagt iets bij aan een omgeving. Het is als het ware in communicatie met zijn omgeving en ontleent of geeft er betekenis aan. De voorkant van De Smidse draagt dus bij aan de sfeer op het Wilheminaplein maar tegelijkertijd domineert het het plein en het voormalige postkantoor.’
‘Een gebouw is óók in communicatie met wie het bewoont, gebruikt of bekijkt. Een gebouw is er namelijk niet voor zichzelf maar voor de bewoners, gebruikers en bekijkers. Naar mijn idee draagt een gebouw bij aan de betekenis van een locatie als het “gelezen” kan worden en zich laat (her)kennen. Dat kan in één oogopslag of juist in een aantal stappen. Sommige gebouwen moet je eerst begrijpen om ze te kunnen waarderen, net als schilderijen.’
‘Ik vind het belangrijk dat mensen de aard, opzet of betekenis van een gebouw kunnen aflezen, het kunnen herkennen. Dit wordt vergemakkelijkt bij een archetype van een gebouw, bijvoorbeeld een huis, een kasteel, een schuur of een boerderij. Als een gebouw herkenbaar is kan het ook betekenis krijgen of betekenis geven aan een locatie en waarde krijgen, niet alleen voor bewoners en gebruikers, maar ook voor de inwoners en bezoekers van een plaats.’
‘In mijn visie heeft een gebouw dus een communicatieve functie. Het communiceert met zijn omgeving. Dit leidt tot herkenning, erkenning (denk aan pand Mooren), waarde en waardering. Ik vind het als stedenbouwkundige belangrijk dat mensen er een band mee kunnen opbouwen. Wat passend is, is vaak afhankelijk van de locatie. Op de ene plaats past een stoer gebouw, op de andere een gebouw dat refereert aan de historische betekenis van een plek (denk aan de kasteeltorens van het Parkhotel) en weer ergens anders is misschien juist eerder een bescheiden gebouw op z’n plaats dat zich voegt in zijn omgeving.’ 
‘Het verschil tussen een gebouw en een complex is dat een gebouw afleesbaar, herkenbaar is in zijn onderdelen. Het laat zien wat het is of het nodigt uit het te ontdekken en te waarderen. Een complex heeft dat niet, het is noch het een noch het ander, vlees noch vis. Er zit vaak geen energie in. De onderdelen kloppen niet met elkaar. Het wil bijvoorbeeld een statig pand zijn, maar daarvoor is het dan eigenlijk weer te groot. Dan wordt het dus een lookalike (denk aan De Smidse: wel sfeer, geen schaal). Of er zit geen deur in enz. In dat geval communiceert het complex niet met zijn omgeving en is de kans op waardering ook kleiner.’ 
‘Ik denk overigens wel dat de meeste mensen De Smidse mooi vinden. Vanuit stedenbouwkundig oogpunt doet mooi of lelijk niet ter zake. Maar natuurlijk is het prima als inwoners en gebruikers er tevreden over zijn. Een gebouw of een aangelegde openbare ruimte is wat mij betreft ook van de bewoners en gebruikers en inwoners. Als ontwerper moet je het dan loslaten en eventuele problemen die in het gebruik nog kunnen ontstaan oplossen.’

maandag 21 juli 2014

Intermezzo – FC Porto

Het wonderbaarlijke circus van het internationale topvoetbal hield afgelopen week weer even halt in Horst. Voormalig Champions League-winnaar Futebol Clube do Porto (FC Porto) was voor het tweede opeenvolgende jaar te gast in het Parkhotel en trainde dagelijks op sportpark Ter Horst.
Het verblijf van zo’n topclub staat telkens garant voor de meest vreemde gewaarwordingen. Of vindt u het de normaalste zaak van de wereld dat twee terreinmeesters al een week vóór de spelers in Horst arriveerden om de velden van sportpark Ter Horst optimaal te preparen (uiteraard met medeneming van hun eigen maaimachine)?
Of vindt u het de normaalste zaak van de wereld dat sportpark Ter Horst wordt behangen met Portugese reclame?
Of vindt u het de normaalste zaak van de wereld dat een hele batterij cameramensen, fotografen en schrijvende journalisten een week lang werkelijk elke scheet van spelers en begeleiding probeert vast te leggen?
Of vindt u het de normaalste zaak van de wereld om in de Kasteelse Bossen de kans te lopen omver te worden gefietst door internationals als Helton (Brazilië), Abdoulaye Ba (Senegal), Cristian Tello (Spanje) of Josué Pesqueira (Portugal)?
Of vindt u het de normaalste zaak van de wereld dat het verblijf van een Portugese voetbalclub fantastische beelden oplevert van sportpark Ter Horst?
Of vindt u het de normaalste zaak van de wereld  dat Duitse supporters van de Turkse club Besiktas naar het Nederlandse Horst afreizen om hun voormalige (niet bijster succesvolle) Portugese favoriet (Ricardo Quaresma) te komen begroeten?
Of vindt u het de normaalste zaak van de wereld om ineens dagelijks op sportpark Ter Horst een speler te kunnen bewonderen die twee weken eerder nog negentig minuten van de partij was in de bloedstollende achtste finale op het WK tussen Nederland en Mexico (Hector Herrera)?
Of vindt u het de normaalste zaak van de wereld dat het verblijf van een Portugese topclub leidt tot het ontstaan van een eersteklas nieuw Horster olifantenpaadje?
Of vindt u het normaalste zaak van de wereld dat het plezier waarmee dat nieuwe Horster olifantenpaadje dagelijks werd onderhouden ook nog eens excellent op film is vastgelegd?

maandag 13 februari 2012

Top 5 – Toekomstige CDA-vergaderlocaties

Mensen zijn van nature geneigd altijd het slechte te denken. Zo krijg ik vaak de vraag voorgelegd waarom ik zo anti-CDA ben. ‘Ik anti-CDA?’, is dan steevast mijn reactie. Werkelijk onbegrijpelijk. Als er één partij is die m’n sympathie kan wegdragen, is het het CDA wel. Echt, ik heb het beste voor met de christendemocraten. Zit men in de problemen, dan ben ik vaak de eerste (en niet zelden de enige) die verschillende oplossingsrichtingen aandraagt. Op dit weblog zijn daarvan tal van voorbeelden aan te wijzen.
Mijn affiniteit met de partij hoeft me er uiteraard niet van te weerhouden haar kritisch te volgen. Het aloude Duitse gezegde Was sich liebt, das neckt sich doet hier weer eens opgeld. Ook dat valt aan de hand van vele bijdragen op Horst-sweet-Horst te illustreren.
Dat voor het goede begrip even vooraf. Dan nu over naar de actualiteit. Afgelopen vrijdag en zaterdag hield het CDA z’n halfjaarlijkse fractieweekend in Horst. Marja van Bijsterveldt-Vliegenthart, Gerd Leers, Ruth Peetoom, Maxime Verhagen, Sybrand van Haersma Buma, Marlies Veldhuijzen van Zanten-Hyllner: allemaal waren ze van de partij. En laten we vooral ook de local heroes Raymond Knops en Ger Koopmans niet vergeten. In de beste CDA-tradities kwam ook de Horster carnavalsprins Guido I nog even langs om wat onderscheidingen uit te reiken. In zijn gezelschap: de local heroes Leon Litjens en Kees van Rooij. À ge ma leut het.
Terwijl Kamerleden en bewindslieden zich met het hier en nu verpoosden, was ik, immer constructief meedenkend, alweer bezig met de toekomst. Want hoe moet dat bij het volgende CDA-fractieweekend in Horst? Nu was het Parkhotel nog de plaats van handeling, maar wat als de CDA-Tweede Kamerfractie – laten we vooral de realiteit onder ogen zien – na de volgende verkiezingen is gedecimeerd tot een clubje van een man of vier, vijf? Dan zou een fractieweekend in het Parkhotel slechts getuigen van grootheidswaanzin. Dus heb ik me, uit liefde voor de partij, de afgelopen dagen het hoofd gebroken over toekomstige Horster CDA-vergaderlocaties. Regeren is immers vooruitzien.
Mijn top 5 van toekomstige Horster CDA-vergaderlocaties:

5. Het vermeende ‘Hoëgers huuske’ aan de Bloemvenweg in America.
Donker genoeg om duistere zaakjes te regelen, groot genoeg om het hele prinselijk gezelschap van de Turftreiers in te ontvangen.

4. Het Risseltkapelletje aan de Gastendonkstraat in Horst.
Terug naar de wortels. Misschien ook wel de ideale manier om van die steile protestanten af te komen.

3. Trafohuisje aan de Schadijkerweg in Meterik.
Ideaal om al het geritsel eens flink te laten knetteren.

2. Jachthut aan de Blaktdijk in Kronenberg.
Mocht Henk Bleker tot de blijvertjes behoren (ik heb m’n twijfels) dan is deze locatie beslist aan te raden omdat hij hier het nuttige met het aangename kan verenigen.

1. Telefooncel aan de Hoebertweg in America.
Transparantie verzekerd en de varkensstallen op de achtergrond staan garant voor een oude vertrouwde geur.

maandag 25 juli 2011

Intermezzo – Verschnaufpause (5)

Jazeker, het was weer eens tijd voor een Verschnaufpause. Een dag Bad Schandau (aan de Duits-Tsjechische grens), vier dagen Praag, twee dagen Berlijn. Allemaal per trein. Veel moois gezien, veel lelijks, veel onbegrijpelijks. Veel water ook, en helaas niet alleen van de Elbe, de Moldau en de Spree.
Van mijn oorspronkelijke voornemen hier een gedetailleerd reisverslag te publiceren, zie ik af. Dat zou immers volkomen in het niet vallen bij het relaas dat onze burgervader gedurende zes weken in Hallo Horst aan de Maas publiceert over z’n vakantieperikelen: ‘[We] hebben een caravan gehuurd; zo één die je alleen maar hoeft aan te koppelen. Alles zit erop en eraan, zeggen ze. Alleen voor kleren en beddengoed moet je zelf zorgen. We gaan dus kamperen. Hoewel ik er niet echt naar uitkijk om zolang achter het stuur te zitten en Jolanda vroeger kamperen altijd omschreef als kramperen.’ Als dat maar goed gaat! Ben razend benieuwd naar het vervolg! Ik voorzie overigens een bestseller als Hallo die stukjes na afloop zou bundelen tot een boekje.

Van míjn vakantiewederwaardigheden dus geen gedetailleerd verslag, slechts wat losse observaties. Zo kunnen de ijsjes in Bad Schandau,
Berlijn
en vooral Praag
beslist wedijveren met de nummer 1 van mijn top 5 van Horster ijsjes, dat van Lo Solé in Sevenum.
Verder werd me duidelijk dat vermistedierenbriefjes geen exclusief Horster of Nederlands fenomeen zijn. Midden in Praag trof ik er zelfs een in het Russisch aan:
En mocht u Ziggy terugbezorgen bij de rechtmatige eigenaar, dan wacht u een financiële beloning (niet dat m’n Tsjechisch nou zo goed is, maar die laatste zin kán gewoon niets anders betekenen):
Waar hebben we dat meer gelezen?
Er zijn wel meer opmerkelijke overeenkomsten tussen Horst en Praag. Zo denken aanhangers van vermeende topvoetbalclubs in al hun arrogantie dat een afkorting (Horst)
of een jaartal (Praag)
volstaat om duidelijk te maken welke club ze verafgoden.

Ook protserige hotels vind je zowel hier als daar, al moet ik bekennen dat het stalinistische Praagse Crown Plaza Hotel
het Horster Parkhotel
in dit opzicht naar de kroon steekt.

Ten slotte: onvermijdelijk tijdens zo’n reisje zijn de toeristische topattracties. Ik moest er in sommige gevallen uren voor in de rij staan, maar dan heb je ook wat: de drijvende drol (Praag),
de man op de ladder-zonder-begin (Berlijn)
en de artistieke boodschap (gemengde technieken) van de anonieme onheilsprofeet (Berlijn).