donderdag 5 september 2013

Intermezzo – De visser

Er was eens een visser. Hij woonde in Horst. De visser was al behoorlijk oud. Vaak dacht hij terug aan vroeger. Toen hij nog de enige visser was in Horst. Toen zijn vele duizenden aanbidders nog huizenhoog tegen hem opkeken. Alles wat hij zei en deed, slikten ze voor zoete koek. Als knipmessen bogen de Horstenaren voor hem. Vissen deed hij in de Kabroeksebeek, de Molenbeek en de Langevenseloop. Een hengel had hij niet nodig: zijn schepnet volstond. Het leek wel alsof de vissen het een eer vonden door hem te worden gevangen. Grote vissen ving hij trouwens niet. Maar wat gaf het? Vis was vis.
Toen, een jaar of veertig jaar geleden, was alles gaan veranderen. Heel geleidelijk. Zijn aanbidders begonnen zo af en toe vragen te stellen. Niet allemaal en geen al te kritische vragen, maar toch. Er waren andere vissers gekomen. Niet meer dan een stuk of drie, vier, hoor, maar toch. De wankelmoedigsten onder zijn aanbidders waren aanbidder van een der andere vissers geworden. Toch had hij nog lange tijd verreweg de meeste aanbidders gehad. Hij viste nog altijd met een schepnet in de Kabroeksebeek, de Molenbeek en de Langevenseloop. Nog altijd ving hij meer dan genoeg. En nog altijd waren de vissen even klein. Maar wat gaf het? Vis was vis.
De laatste tien jaar was het ineens heel snel gegaan. Zelfs zijn vurigste aanbidders waren steeds vaker gaan twijfelen aan zijn woorden en daden. Waren hem allerlei kritische vragen gaan stellen. Hadden niet meer tegen hem opgekeken. Voor hem buigen was er al helemaal niet meer bij geweest. Achter zijn rug om hadden ze zelfs grapjes over hem gemaakt, iets wat vroeger ondenkbaar was geweest. Steeds meer van zijn aanbidders waren andere vissers gaan aanbidden. Het was zelfs zover gekomen dat de andere vissers samen méér aanbidders hadden gekregen dan hij. En het vissen? Dat wilde ook al niet meer zo goed lukken. Alle vissen zwommen aan zijn schepnet voorbij. Af en toe had hij nog eens een klein visje gevangen met z’n werphengel. Daar was het bij gebleven. Zijn besluit voortaan behalve in de Kabroeksebeek, de Molenbeek en de Langevenseloop ook in Sevenumse beken en in de Maas bij Broekhuizen, Broekhuizenvorst, Lottum en Grubbenvorst te gaan vissen, had ook al geen verbetering gebracht.
Op een gegeven moment had de visser zelfs met zijn werphengel in de Horster wateren geen vis meer aan de haak weten te slaan. Ten einde raad had hij toen zijn visgebied vergroot. Aanvankelijk zonder succes. Tot hij op een dag, omstreeks een half jaar geleden, in de Keutelbeek nabij Neerbeek had gevist. Terwijl zijn hengel bijna bezweek onder het gewicht van het aas, had uiteindelijk toch een vis toegehapt. Een visje eigenlijk, klein en piepjong. Maar wat gaf het? Vis was vis.
De visser had het visje meegenomen naar Horst, gefileerd en in hapklare mootjes gesneden. Daarna had hij zijn laatste trouwe aanbidders uitgenodigd het visje te komen verorberen. Maar toen was iets gebeurd wat nog nooit eerder was gebeurd. Zijn aanbidders hadden het jonge visje uitgekotst! Ze hadden het een smakeloos visje gevonden. En ze hadden de visser in niet mis te verstane bewoordingen duidelijk gemaakt dat ze niet van piepjonge visjes hielden. En al helemaal niet van piepjonge visjes die buiten Horst waren gevangen. Vis mocht dan wel vis zijn, Horster visjes waren veel lekkerder.   
Daarop was de visser weer in Horst gaan vissen. In de Kabroeksebeek, in de Molenbeek, in de Langevenseloop, in het Schuitwater, in De Put, in het Griendtsveenkanaal, in de Schorfvenloop, in de Kattenstaartse Beek, in de Blakterbeek. ’s Avonds, ’s nachts, ’s morgens, ’s middags. Met een schepnet, met een werphengel, met een glashengel, met een telescopische hengel. Met levend aas, met dood aas, met kunstaas. Maar wat hij ook had geprobeerd, nergens was het hem gelukt ook maar het kleinste visje te verschalken. Van lieverlee had hij z’n visgebied maar weer vergroot. Hij had besloten de Maas vanuit Eijsden stroomafwaarts te volgen. Maandenlang had het ernaar uitgezien dat ook deze inspanning tevergeefs zou zijn. Totdat hij vorige week zijn hengel in de Maas bij Velden had uitgeworpen. Daar had hij warempel een vis weten te vangen. Opnieuw een kleintje. Maar wat gaf het? Vis was vis. Het was trouwens nog een hele klus geweest de vis boven water te krijgen. Want hoe klein ook, de vis had behoorlijk tegengesparteld en stroomopwaarts richting Venlo willen ontsnappen. Moegestreden had de vis zijn verzet ten slotte toch gestaakt. Thuis had de visser de vis gefileerd en in mootjes gesneden. Om bederf te voorkomen had hij hem daarna in de diepvries gelegd. 
De visser had zijn aanbidders uitgenodigd de vis op 30 september te komen nuttigen. Zijn vurigste aanbidders hadden hem al laten weten dat het hen niet zoveel uitmaakte dat het maar een kleine vis was en dat de vis niet in Horst was gevangen. Vis was immers vis. Maar wat zouden zijn minder vurige aanbidders ervan denken? Aan kleine vissen waren ze wel gewend, maar een niet in Horst gevangen vis? Zou dat voor hen geen brug te ver zijn? De visser was er niet gerust op. 

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen