maandag 29 mei 2017

Intermezzo – Donkere ogen

Waar ik ook een boek over zou kunnen schrijven, zijn mijn belevenissen als vrijwilliger van VluchtelingenWerk Horst aan de Maas. Mocht het er ooit van komen, dan kan ik alleen maar hopen dat ik erin zou slagen dat net zo mooi, net zo integer en net zo zonder zelfverheerlijking te doen als Anniek Verheijen het heeft gedaan. Ook zij is vrijwilliger bij VluchtelingenWerk Horst aan de Maas. Over haar ervaringen heeft ze onlangs een indrukwekkend verhaal gepubliceerd op haar website Mooionkruid (klik hier). Met haar toestemming reproduceer ik het hier, want het verdient een zo groot mogelijk lezerspubliek.

Donkere ogen

Ergens in 2014, Libië. De jonge vrouw ligt op de grond en kijkt zoekend om haar heen. Water, ze wil water. Haar mond is kurkdroog na de wilde jeeptocht van vannacht. Ze bevindt zich in de Sahara, midden onder de brandende zon. Het is bizar warm, maar dat is niet het voornaamste probleem. Deze warmte kent ze al haar hele leven en voelt juist als thuis. Het is het steeds langer durende gebrek aan voedsel en water waardoor ze zich zo enorm zwak voelt. Minuten werden uren en zijn inmiddels overgegaan in eindeloze dagen, maar zij heeft nog maar weinig besef van tijd. Ze kan zich niet meer herinneren hoe lang ze niks meer binnen heeft gekregen. Haar lippen zijn net zo droog en gebarsten als de aarde waarop ze ligt. Ze heeft pijn, pijn in haar hart, alsof het doorboord wordt. Ze mist haar kinderen, haar man, haar moeder. Maar ze moet doorzetten. Júíst nu.
Een paar jaar later.

Maart 2017, Nederland. Het is dinsdagmiddag, half vier. Ik sta voor de deur bij huisnummer 53 en wacht. De gordijnen zijn dicht, zoals iedere week. Het duurt even voordat de deur wordt geopend. De jonge vrouw begroet me hartelijk en lacht een prachtige glimlach. Ze geeft me een hand, zegt ’Hallo Anniek, hoe gaat het?’ en laat me binnen in haar woning. Als ik haar dan even aankijk en onze ogen elkaar vinden, dan lijkt het alsof er kleine lichtjes schijnen in haar donkere kijkers. Haar donkere ogen die mijn ogen zoeken, die mij vervolgens écht zien. Haar donkere ogen met – zo is gebleken – een behoorlijk donker verhaal. Haar donkere ogen die echter vol vertrouwen de toekomst in durven kijken.

Zij is een lieve, warme vrouw van 25 jaar oud, afkomstig uit Eritrea, op de vlucht en na een lange omweg inmiddels gestrand in mijn buurdorp waar ze een modern appartementje bewoont. Ze maalt koffiebonen met een vijzel. De koffie bewaart ze dan in een zware stenen kan, en verwarmt ze vervolgens op kooltjes. Een heel karwei, eerder een ritueel. Maar ik drink iedere week thee bij haar en die bereid ze gewoon met een waterkoker.

Doordat ik wekelijks bij haar op bezoek ga, wordt mijn wereld groter. De kennis over haar cultuur is verrijkend voor mij. Ze vertelt over haar woning, noem het een hutje van platen en planken. Nee, ze had geen ramen in haar hut. En geen bankstel. Ze vertelt over de vijf-uur-durende-voettocht naar de ‘supermarkt’, met de ezel naast haar. En dan ook weer terug naar huis, vijf uur. Nu fietsen wij samen naar de Lidl en koopt ze salade of aardappelen in een plastic zakje. Niemand verwondert zich er over, ook ik niet; het lijkt de normaalste zaak van de wereld dat alles maar in plastic zakjes verkocht wordt. Ook doen we samen haar administratie. Soms zie ik door de bomen het bos niet meer en bel ik de gemeente voor extra uitleg. De zinnen in de brieven zijn zo cryptisch opgesteld dat ik het als Nederlander niet eens begrijp. Als ik haar vraag of ze in Eritrea ook zoveel papieren had, schudt ze hard haar hoofd en zegt ’Neeee!’.

Ergens ben ik blij voor haar, dat zij tijden gekend heeft zonder bureaucratie. Hoe fijn moet dat geweest zijn. Maar wanneer ze me andere verhalen vertelt, over Eritrea, dan krijg ik kippenvel. Over haar verleden, haar vluchtroute, haar leven daar. Dan lijkt mijn adem even te stoppen en mijn hartslag te vertragen. Het liefst wil ik haar dan even knuffelen, om haar te laten voelen dat ik met haar meeleef. Maar wat heeft ze aan medeleven? Het is allemaal gegaan zoals het gegaan is. Zij is zo anders dan alle mensen die ik ooit eerder ontmoet heb. Haar verhaal geeft me een ander gevoel, onmetelijk en grenzeloos. Een ver-van-mijn-bed-show die toch ineens dichtbij is nu. Dit is een vrouw van mijn eigen leeftijd die noodgedwongen een ander leven heeft gekregen. Heel anders dan dat ze ooit had kunnen denken. Het is confronterend merk ik. Hoewel ik me niet in haar kan verplaatsen en niet kan voelen wat zij voelt, merk ik dat het echt wat met me doet. Elke keer weer. En voel ik me dankbaar dat zij in mijn leven is gekomen.

Wat ik zo bijzonder vind aan deze jonge vrouw, is dat ik merk dat ik écht contact met haar heb. Ze luistert, ze kijkt, ze ziet me. Hoe vaak heb ik het idee dat Nederlandse mensen met niet écht horen als ik iets zeg? Dat ze zijdelings nog even op hun telefoon kijken, of er toevallig een appje binnenkomt. Of dat ze knikken als ik iets vertel, terwijl ik voel dat ik geen echte verbinding heb. Dat ik eigenlijk net zo goed tegen de muur kan praten.

Soms wil de jonge vrouw woorden schrijven als ik bij haar ben. Ze pakt dan haar schooltas en zoekt haar schrift en potlood. Vervolgens noem ik woorden op die zij dan probeert te schrijven. Fiets, groente, koelkast, nagellak. Ze is leergierig, wil dingen weten. Als ze het woord niet kent dan schrijft ze het in Tigrinya (de taal die zij in Eritrea sprak) naast het Nederlandse woord. Op die manier leert zij de Nederlandse taal. Als we op een dag een verhaaltje lezen wat ze op school heeft behandeld, kom ik erachter dat ze het niet helemaal begrepen heeft. Het onderwerp is ‘Glorix’ maar ze kan me niet uitleggen wat dat dan precies is, Glorix. Is het de fles? Is het het spul ín de fles? Als ik het haar vertel, lijkt ze het nog niet helemaal te snappen. Ik vraag haar waar zij haar toilet mee schoonmaakt. Ze neemt me mee naar haar badkamer en laat me een grote fles douchegel zien. Naast het toilet poetst ze hier ook de douche en de wasbak mee. Ik lach en leg haar uit waar dit goedje voor dient. ’Dit is voor je huid en haar’, vertel ik terwijl ik naar mijn armen en mijn haren wijs. Ze begint te lachen, ze wist het niet. Dus we gaan weer samen naar de Lidl, dit keer om Glorix en allesreiniger te kopen.

Als ik vandaag binnenstap in haar woonkamer, stromen verschillende uitheemse geuren mijn neus binnen. Het ruikt heerlijk. Ik ruik komijn, gok ik. En misschien kaneel? Kurkuma? Of kruiden die we in Nederland helemaal niet kennen. Ik vertel haar dat het lekker ruikt in haar huis. Ze lacht en zegt ’Dankjewel Anniek.’ Een twinkeling schittert weer in haar ogen. Haar donkere ogen met een onmetelijk indrukwekkend verhaal. Een oud verhaal, maar ook een nieuw verhaal wat voor haar ligt.

Ze vraagt me wat ik wil drinken. Ik zeg dat ze drie keer mag raden. Haar glimlach verraadt haar gedachten.

‘Thee?’, probeert ze.

Ik knik.

Lekker, thee.


Anniek Verheijen

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen