dinsdag 21 juli 2026

Intermezzo – Kevin Keegan

Kevin Keegan overleden. Dé verpersoonlijking van het Engelse voetbal van de jaren zeventig is niet meer. Het overlijden van een voetballer is doorgaans niet iets om op Horst-sweet-Horst bij stil te staan. Het overlijden van Kevin Keegan is dat wel. Waarom? Vanwege diens al dan niet vermeende connectie met Horst aan de Maas, en meer in het bijzonder met Melderslo.


Jongetjes van nu willen Messi, Lamine Yamal, Haaland, Mbappé of Olise zijn. Jongetjes in het midden van de jaren zeventig wilden Cruijff, Keizer, Neeskens, Van Hanegem (ik) of Krol zijn. Of Kevin Keegan.


Best kans dat Keegan tot mijn buitenlands idool zou zijn uitgegroeid als ik hem ooit live in actie had gezien. Helaas is mijn trieste lot dat ik Keegan tot drie keer toe net ben misgelopen: in Amsterdam, in Mönchengladbach en in Melderslo. In Amsterdam zag ik Ajax in augustus 1977 aantreden tegen Liverpool. Liverpool dat in mei onder aanvoering van Keegan voor de tweede keer op rij Engels kampioen was geworden. Maar een maand later was de vogel gevlogen: King Kev verkaste naar HSV. In Mönchengladbach zag ik de lokale trots, Borussia, begin jaren tachtig spelen tegen HSV. Borussia moest het toen al vele jaren stellen zonder mijn buitenlandse idool, Günter Netzer. Bijna net zo erg was dat Keegan Hamburg inmiddels had verruild voor Southampton.


Keegan missen in Amsterdam en Mönchengladbach is nog tot daaraan toe. Maar in Melderslo? Op vijf minuten rijden, tien minuten fietsen, een half uurtje lopen van mijn huis? Onvergeeflijk! Eerlijk gezegd heb ik lange tijd niet geweten dat Mighty Mouse Melderslose voetbalgrond heeft gekust. Ja, dat Frank Rijkaard, Johan Neeskens, Sjaak Swart, Gerrie Mühren en John Rep de Paradijsvogels ooit vereerden met een bezoek (klik hier en hier) was me niet ontgaan. Dat de tweevoudig Europees voetballer van het jaar in zijn Hamburgse periode eveneens Melderslo aandeed, hoorde ik pas enkele jaren geleden. Van een door en door betrouwbare Horstenaar. Hij, een jaar of tien, was er zelf bij geweest. Sterker nog: hij had die middag een handtekening gekregen van Kevin. Alleen zó zonde dat die handtekening op een bepaald moment was kwijtgeraakt…

maandag 13 juli 2026

Intermezzo – Koeltekaart

Zitten we nu in de tweede? De derde? Of toch alweer de vierde? Hittegolven volgen elkaar tegenwoordig in zo’n hoog tempo op, dat het lastig is de tel bij te houden. Hoe dan ook neemt de behoefte aan koelte elke zomer toe. Wat mogen we ons dan toch weer gelukkig prijzen dat we in Nederland wonen. Want Nederland zou Nederland niet zijn als het niet over een heuse Afstand-tot-koeltekaart zou beschikken (klik hier).


Op de Afstand-tot-koeltekaart kan je van nagenoeg elke woning of gebouw in Nederland zien hoe groot de afstand is tot een koelteplek (hier vooral opgevat als een schaduwrijke plek). ‘Elk huis zou een aangename en aantrekkelijke koele plek moeten hebben binnen 300 meter loopafstand’, zeggen de kaartmakers. Koele plekken zijn paars gekleurd, woningen en gebouwen op een afstand tot 300 meter van een koele plek zijn groen gekleurd. Woningen en gebouwen die verder weg liggen, zijn rood of oranje gekleurd.


Op de kaart valt beslist het een ander af te dingen. Inzoomend op Horst aan de Maas zijn er evengoed globaal enkele voorzichtige conclusies te trekken. Zo valt op dat je als koeltezoekende inwoner van Sevenum beter in Sevenum-Oost dan in Sevenum-West kan wonen.


In Horst is het precies andersom: daar is nagenoeg het hele gebied tussen Van Douverenstraat, Hoofdstraat, Steenstraat, Jacob Merlostraat, Deken Creemersstraat en A73 rood of oranje gekleurd. Een reden te meer om van de voormalige Weisterbeeklocatie een groene oase te maken, mag je hopen.


Mijn favoriete Horster wijk, de Norbertuswijk, kleurt tot mijn grote genoegen nagenoeg helemaal groen.


In America en Tienray kunnen koelteminnaars eveneens hun hart ophalen: daar zijn in het centrum slechts enkele woningen te vinden die niet groen gekleurd zijn.


Tot de meest beklagenswaardige gemeentenaren behoren de bewoners van de Driekooienweg in Evertsoord. Slechts aan het begin en einde van deze ellenlange weg zijn wat woningen groen gekleurd.


De makers erkennen zelf overigens dat je de kaart niet te absoluut moet zien: ‘Er zijn meer definities van een koele plek.’ En:
‘De afstand-tot-koeltekaart geeft een eerste inschatting van de locatie van koele plekken en van de afstand tot deze plekken. Maar van deze koele plekken is niet bekend of het ook aangename plekken zijn. Daarvoor is verder onderzoek nodig.’
Dus wees alsjeblieft een beetje lief voor de kaart en haar makers, bewaar je koelte en bespaar ons verhitte klimaatdiscussies.

zondag 12 juli 2026

Intermezzo – Scholekster

Als kind ging ik op zondagochtend steevast en rundje ri-je met m’n vader. We hadden een min of meer vaste route: de Paes, de Schaak, het gebied waar nu Loohorst ligt (waar het stikte van de konijnen), het Grauwveen en ten slotte de Peel tussen Griendtsveen en Helenaveen. Stapvoets over onverharde wegen die inmiddels alweer decennialang ontoegankelijk zijn voor gemotoriseerd verkeer. We zagen vogels die je in deze regio tegenwoordig niet of nauwelijks meer ziet. Denk aan de wulp, de grutto, de patrijs. Andersom kan ik me niet herinneren dat we toen ook maar één keer een grote zilverreiger (‘witte reiger’), een ooievaar of een raaf zijn tegengekomen, vogels die vandaag de dag in deze contreien redelijk algemeen zijn.

Een zeldzame verschijning in die tijd was de Haematopus ostralegus ofwel scholekster. Waarschijnlijk vanwege z’n zeldzaamheid én z’n oranjerode snavel was de scholekster – samen met de wulp (vanwege z’n naam en z’n gekromde lange snavel) – mijn favoriete vogel. Hoewel de scholekster hier tegenwoordig in groteren getale voorkomt en intussen de raaf voor mij aan de top van het vogelrijk staat, is mijn fascinatie voor de scholekster nooit verdwenen.


Wat bijdraagt aan mijn sympathie voor de scholekster, is dat ik altijd een beetje met ‘m te doen heb. Misschien ontmoet ik ‘m op de verkeerde momenten, maar in mijn nabijheid brengt-ie doorgaans een luid, schel, hoog, piepend geluid voort. Laatst ook weer toen een luidruchtig koppel me op de Spoorweg in Hegelsom hoog in de lucht passeerde. Wat was er aan de hand? Had het te maken met mijn aanwezigheid? Waren ze boos, bang, verontrust, nerveus? Of is dit een te menselijke interpretatie? Kan het zijn dat wat ik voor een klaagzang houd voor een scholekster juist een uiting van welbehagen is?


Een tweede reden waarom ik een beetje te doen heb met de scholekster, is dat ik ‘m tegenwoordig vaak aantref op of in de nabijheid van oerlelijke akkers. Akkers met een vloerbedekking van zwart landbouwplastic waarop gewassen worden geteeld. Het beeld van kinderen die ver weg in een arm land dag in dag uit op een onafzienbare vuilnisbelt rondscharrelen in een poging te overleven, is dan nooit ver weg. Waaraan hebben die kinderen dat te danken? Waaraan heeft zo’n mooie, statige vogel dat te danken? Je gunt ‘m toch een sappig weiland of plasdrasgebied? Of is de scholekster net zo’n opportunist als de mens? Gaat ook hij liever voor snel gewin? Dient het gemak niet alleen de mens maar ook de scholekster?

donderdag 9 juli 2026

Intermezzo – Franz Clemens op bezoek bij Napoleon (1)

Gevleugelde uitdrukking dezer dagen: Parijs is nog ver. Vroeger was Parijs nog veel verder. Toch haalde de laatste bewoner van kasteel Huis ter Horst, Franz Clemens von Fürstenberg (1755-1827), Parijs. En wel in 1804. Samen met z’n broer Theodor. Om er de kroning van Napoleon tot keizer van Frankrijk bij te wonen, een 8,5 miljoen frank kostende ceremonie met meer dan twintigduizend gasten.

Napoleon in 1806 op de keizerlijke troon, geschilderd door Jean-Auguste-Dominique Ingres 
Als president van het kanton Weiden ontving Theodor Hermann von Fürstenberg (1772-1828) begin november 1804 een uitnodiging om aanwezig te zijn bij de kroning in de Notre-Dame op 2 december. Waarom de niet genodigde Franz Clemens hem vergezelde? Vermoedelijk vooral omdat Theodor zijn broer, ondanks hun slechte persoonlijke verhoudingen, als een geschikte persoon zag om de reis van tweeënhalve maand naar Parijs vast te leggen.

Franz Clemens kweet zich met verve van deze taak. Dit resulteerde in een (niet gepubliceerd) dagboek van zeventig bladzijden. Het bestrijkt de periode tussen 19 november 1804 en 4 februari 1805, is in het Frans gesteld en heeft als titel Voyage de Paris pour le couronnement de l’empereur Napoleon.

Eerste bladzijde van het dagboek
Ik ontleen deze informatie aan Das Paris des napoleonischen Kaiserreichs in der Wahrnehmung rheinischer Adeliger, de voorbeeldige masterscriptie van Ulrike Schmitz uit 2014 (klik hier). Daarin schenkt ze ruim aandacht aan het dagboek van Franz Clemens. Wat ik daaruit opmaak is dat de gebroeders tal van toeristische hoogtepunten in en om Parijs aandeden. Zo bezochten ze het paleis van Versailles, het Louvre en het Panthéon. Opera en theater konden beide broers maar matig bekoren: het bleef bij enkele bezoekjes waaraan Franz Clemens slechts een paar woorden wijdt. Meer plezier beleefden ze in café Frascati, place to be voor de jetset: ‘We gingen naar Frascati, waar de hele beau monde van Parijs op elkaar lijkt, en om drie uur 's nachts gingen we naar bed: we hadden dringend behoefte aan rust.’

De galerijen van het Palais-Royal in 1800
Hoogtepunt van de beschrijvingen van Franz Clemens noemt Schmitz diens gedetailleerde schets van het Palais-Royal. Dit voormalige koninklijk paleis was ten tijde van het bezoek van de Fürstenbergs een winkelcentrum, inclusief cafés, restaurants en bordelen. Franz Clemens: ‘De drukte is er in elk jaargetijde enorm. Het is net een permanente kermis. Je ziet er allerlei curiositeiten. (…) De deuren gaan om 2.00 uur dicht. (…) Om 17.00 uur trekken de respectabele vrouwen zich terug, want dan beginnen de courtisanes zich te vertonen.’ Zijn conclusie: ‘Wie Parijs heeft gezien zonder het Palais Royal te bezoeken, heeft eigenlijk niets gezien.’

En de kroning van Napoleon, waar het uiteindelijk allemaal om te doen was? Daarover in een volgende aflevering meer. Dan ook ruimere aandacht voor de indruk die Parijs en de kroning op beide broers maakten.

dinsdag 7 juli 2026

Trapveldjesvoetballers (21)

Ontvallen aan het legioen der trapveldjesvoetballers: Saleem Al-Ashqar, 32 jaar, overleden op 29 juni 2026 in Al-Qarara, Gaza


Op de dag dat Paraguay in de Verenigde Staten Duitsland uit het WK knikkerde en FIFA-voorzitter Gianni Infantino in levenden lijve in Houston Brazilië-Japan aanschouwde en zag dat een laat doelpunt van Gabriel Martinelli het voortijdige vertrek van Brazilië nog even uitstelde, kwam in de Gazastrook een einde aan het leven van Saleem Al-Ashqar, de 32-jarige keeper van Khadamat Khan Younis.

Al-Ashqar, die eerder voor verschillende andere Gazaanse clubs uitkwam, werd doodgeschoten door het Israëlische leger in Al-Qarara (enkele kilometers ten noordoosten van Khan Younis) terwijl hij op zijn motor onderweg was om een gasfles om op te koken te halen. Vanuit tanks openden Israëlische soldaten het vuur op hem. Daarbij werd hij in zijn buik geraakt. Enkele uren later overleed hij in een ziekenhuis aan zijn verwondingen. Al-Ashqar trad op 26 januari van dit jaar in het huwelijk. Zijn echtgenote is in verwachting van hun eerste kind.


De wereldvoetbalbond FIFA weigert intussen nog altijd actie te ondernemen tegen Israël. Jibril Rajoub, de voorzitter van de Palestijnse voetbalbond, ontving wel een uitnodiging van de FIFA om het WK bij te wonen en was in Mexico aanwezig bij de openingswedstrijd van het WK, maar de Verenigde Staten weigerden Rajoub een visum te verlenen. De FIFA deed er vervolgens het zwijgen toe.

Overal ter wereld zijn trapveldjes. Nergens ter wereld komen zoveel trapveldjesvoetballers om het leven als in Gaza, de Westelijke Jordaanoever en Libanon – allemaal door toedoen van Israël. Ter nagedachtenis aan hen deze serie. Die opent telkens met een foto van een trapveldje in Horst aan de Maas, waar trapveldjesvoetballers weinig te vrezen hebben. Ditmaal een foto van het trapveldje aan de Patersstraat in Evertsoord. Klik hier en hier voor de voornaamste bronnen voor dit stukje.