‘Openbaar bestuur is nog niet zo eenvoudig’, zo vertrouwde een Horster politicus me onlangs een beetje lacherig toe. Als om z’n woorden te bevestigen kwam deze week naar buiten dat het gemeentebestuur de openbare bibliotheek mogelijk gaat verplaatsen. Uit bezuinigingsoverwegingen. Drie jaar nadat de bibliotheek z’n intrek nam in de mastodont die de naam De Librije kreeg. Waarmee een einde leek te zijn gekomen aan een zich bijna twintig jaar voortslepende discussie over een nieuwe bibliotheek. Mooi niet dus. We zijn weer helemaal terug bij af.
Een kleine twintig jaar zwierf de bibliotheek virtueel door het hele Horster centrum. Gemeentehuis, Gasthoês, parkeerplaats Patronaat, Albert Heijn: allemaal worden ze gewogen en te licht bevonden. Ten einde raad wordt in 2002 de hulp van bureau BRO ingeroepen. Dat concludeert dat nieuwbouw op parkeerplaats Patronaat toch de beste optie is. Het college van burgemeester en wethouders beslist anders. Het installeert een stuurgroep die de gordiaanse knoop moet ontwarren. Binnen twee weken zijn de lokale wijzen er uit: nieuwbouw op de parkeerplaats (P1) achter het gemeentehuis. Stuurgroepvoorzitter en burgemeester Léon Frissen licht in Dagblad De Limburger van 15 oktober 2002 toe: ‘Alle andere opties zijn beduidend minder snel te realiseren dan een nieuwe bieb op P1. Dat is de enige afweging geweest.’ Binnen twee maanden dient er een definitief ontwerp liggen, want ‘de betonmolens moeten gaan draaien’. Twee maanden worden bijna twee jaar, maar dan ligt er ook wat: een door bouwbedrijf Clabbers ontwikkeld plan met zestig appartementen, een parkeergarage en een bibliotheek. Directeur Paul Driessen van Clabbers in Dagblad De Limburger van 3 april 2004: ‘Dit is een superplan op een superlocatie.’ Hosanna! Behalve bij de buurtbewoners. Die komen in verzet tegen de geplande kolos voor hun deur. Rechtszaken volgen. Twijfel slaat opnieuw toe. Ook bij de gemeenteraad. Alle eerdere opties passeren weer de revue. Met het pistool op de borst stemt de gemeenteraad uiteindelijk toch in met De Librije. SP en D66 zijn tegen. De VVD eigenlijk ook, maar die gaat desondanks – in de woorden van Dagblad De Limburger – ‘schoorvoetend akkoord om de coalitie niet tegen de schenen te trappen’.
Op 17 april 2009 wordt de nieuwe bibliotheek officieel geopend. Drie jaar later adviseert bureau BRO de bibliotheek naar ’t Gasthoês te verplaatsen,
is Léon Frissen ambteloos burger, is Paul Driessen wethouder van de gemeente Horst aan de Maas en speculeert de VVD (thans opererend onder de schuilnaam Essentie) alweer openlijk over een ander concept voor de bibliotheek (klik hier en hier).
Openbaar bestuur is inderdaad nog niet zo eenvoudig. Terugkijkend op het gechicaneer dringt een vergelijking met de kermis zich op. Door elkaar worden geschud op De Bank. Opbotsen tegen wie je maar kunt in de botsauto’s. Op je kop hangen in de Booster. Losse flodders afschieten in de schiettent. Draaien tot je een ons weegt in de Twister. Balletjes opgooien bij de kamelenrace. Touwtje trekken.
In Dagblad De Limburger van afgelopen vrijdag noemde wethouder Litjens de optie om de bibliotheek te verplaatsen een ‘denkrichting’. Mijn denkrichting: een met een parlementaire enquête vergelijkbaar instrument loslaten op het Horster bibliotheekhuisvestingsbeleid van de afgelopen twintig jaar.
P.S. De denkrichting van het gemeentebestuur van vandaag volgens Dagblad De Limburger: sluiting van de bibliotheken in Grubbenvorst in Sevenum. Mijn denkrichting van vandaag: met zulke denkrichtingen is openbaar bestuur inderdaad nog niet zo eenvoudig.
Horst aan de Maas liefdevol, verontwaardigd, uitdagend, kritisch en verwonderd beschouwd
maandag 14 mei 2012
Klein mysterie 343 – Atrium (1)
Daar gaan we weer. Voor de 384e maal dreigt te worden gemorreld aan het atrium van de Sint-Lambertuskerk.
Als we Dagblad De Limburger van afgelopen vrijdag mogen geloven heeft bureau BRO (als 247e) geadviseerd het een ‘opener karakter’ te geven. Bullshit.
Wie aan het atrium komt, komt aan Jan Holthuis. De huisarts in ruste publiceerde in september 2010 in Info LGOG Kring Ter Horst een uitvoerig artikel over de Sint-Lambertuskerk (klik hier en ga vervolgens naar p. 19-43). Wie het gelezen heeft, beseft dat ie voor eeuwig met z’n fikken van het atrium dient af te blijven. Maar blijkbaar is het niet overal doorgedrongen, of in elk geval niet tot de plaatsen waar het door zou moeten dringen. Daarom kan het geen kwaad hier nog maar eens een aantal passages over het atrium te herhalen.
Over de betekenis van het atrium zegt Holthuis:
Als we Dagblad De Limburger van afgelopen vrijdag mogen geloven heeft bureau BRO (als 247e) geadviseerd het een ‘opener karakter’ te geven. Bullshit.
Wie aan het atrium komt, komt aan Jan Holthuis. De huisarts in ruste publiceerde in september 2010 in Info LGOG Kring Ter Horst een uitvoerig artikel over de Sint-Lambertuskerk (klik hier en ga vervolgens naar p. 19-43). Wie het gelezen heeft, beseft dat ie voor eeuwig met z’n fikken van het atrium dient af te blijven. Maar blijkbaar is het niet overal doorgedrongen, of in elk geval niet tot de plaatsen waar het door zou moeten dringen. Daarom kan het geen kwaad hier nog maar eens een aantal passages over het atrium te herhalen.
Over de betekenis van het atrium zegt Holthuis:
‘Het atrium is afgeleid van het oud Romeinse huis, waar de bij de voordeur gelegen ruimte de enige plaats was, waar werd gestookt. Voor de afvoer van de rook maakte men een gat midden in het dak, het regenwater werd opgevangen in een bassin en zo ontstond een Voorhof, omgeven door zuilen, die het dak droegen met in het midden een bekken, waarvan het water later gebruikt werd voor de rituele reiniging. Wij hebben er onze wijwaterbak bij de ingang van de kerk aan te danken. In de oude kerk was het atrium de plaats waar de boetelingen en catechumenen zich na de woorddienst ophielden tijdens de liturgische handelingen waar ze nog niet bij mochten zijn. In een van de boeken van professor Timmers wordt het atrium gezien als het symbool van Christus, door wie we binnengaan in het Hemelse Jeruzalem.’In zijn strijd voor behoud van het atrium ging Holthuis te rade bij twee vermaarde kunsthistorici: prof.dr. J.J.M. Timmers (1907-1996) en prof.dr. F.G. (Frits) van der Meer (1904-1994). Timmers berichtte:
‘Enige tijd geleden vernam ik dat er plannen bestaan om de prachtige kerk van Horst in haar wezen aan te tasten door onverantwoorde ingrepen aan dit gebouw. Ik moge daartegen met klem protesteren. De kerk van Horst is een van de allerbeste werken van wijlen architect Boosten, een voornaam kunstwerk, waaraan niet mag worden geknoeid. Plannen in deze richting zijn gelijk te stellen aan barbarij en ordinair vandalisme. Ik hoop dat men in Horst zo verstandig zal zijn dit te voorkomen en dat men er niet de schande op zich zal laden een der allerbeste naoorlogse kerkgebouwen te hebben verknoeid.’Ook in Van der Meer vond Holthuis een uitgesproken bondgenoot:
‘Iedere stoornis van Boosten’s opzet is een schennis. Het idee, het atrium te openen voor banaal straatverkeer, vernietigt natuurlijk de functie van de voorhof, doet de compositie van de façade te niet, en verandert dit zeer besloten complex aan één kant in een opengebroken partij, die de rest onherstelbaar schaadt. De beide deuren, die nu toegang geven tot de hof, storen de voorhof niet en zijn meer dan voldoende. Ik hoop, dat bestuurderen dit indrukwekkend geheel gaaf zullen bewaren, en voor dwaze grillen behoeden.’Holthuis deinst zelf evenmin terug voor ferme uitspraken:
‘Jaren geleden liep ik met mijn kleinzoon over het Kloosterplein voor de kerk. Op een bank zat een stel jongens, d.w.z. ze zaten op de leuning, de voeten op de zitting, de pet achterstevoren op het hoofd. Opeens maakte een van die jongens zich los van de groep en verdween in het Atrium. Aangezien ik er zeker van was dat hij daar in ieder geval niet de rozenkrans ging bidden liep ik hem achterna. En jawel hoor! Hij stond te plassen naast een 17e eeuws stenen kerkhofkruis. Ik riep hem toe: “Wat ben jij een zeikerd zeg!” Toen wist ik zeker dat de Voorhof alleen over mijn lijk geopend zal worden voor banaal straatverkeer. Ik herhaal: “De Voorhof zal alleen over mijn lijk worden geopend voor banaal straatverkeer!!” Zulk een ferme uitspraak heb ik nog nooit vanuit Wilhelminaplein 6 [gemeentehuis] of Hoofdstraat 7 [pastorie] vernomen. Zo reageerde ik ook op een Horstenaar die mij per telefoon plompverloren vroeg of er nu echt niet te praten was over het atrium. Ik antwoordde: “Dan moet u wachten tot ik overleden ben.” Mijn dochter riep toen: “Als jij er niet meer bent dan zorg ik wel voor het atrium!” Dat gaf ik door en voegde er nog aan toe dat medisch gezien mijn dochter nog een levensverwachting had van minstens 50 jaar en dat hij na 2050 nog maar eens terug moest bellen.’Ten slotte nog even alles op een rijtje:
‘Het atrium is een sacrale ruimte, die bij de kerk hoort en niet bij het publieke domein. Iedere aantasting moet dan ook krachtig bestreden worden. Hier ligt dus nog een belangrijke taak voor het gemeentebestuur! De St. Lambertuskerk van Horst is de enige kerk van Nederland met een atrium. En voor alle duidelijkheid: DAT ATRIUM MOET BLIJVEN!!!’En zo is het.
Intermezzo – Wittenhorst
Zondagavond, tien uur. Ik heb met mezelf afgesproken een stukje over Wittenhorst te schrijven.
Immers: het eerste elftal van die club is vanmiddag kampioen geworden en daarmee voor de tweede keer op rij gepromoveerd, ditmaal naar de eerste klasse. De club waarvan ik al sinds 1973 lid ben. De club waar ik in elk geval als voetballer ben gevormd. De club die de afgelopen jaren gestaag weer op poten is gezet. De club met meer dan duizend leden. De club die draaiende wordt gehouden door tientallen vrijwilligers die er hun hele ziel en zaligheid in stoppen. De club waar mensen mee opstaan en mee naar bed gaan (zo is het toch, Piet?). De club waarvan ik het eerste elftal vanmiddag een helft lang zag worstelen met SSS’18. De club die ik nu ergens ver op de achtergrond z’n welverdiende kampioensfeest hoor vieren. Over die club, en meer in het bijzonder over het grandioze kampioenschap van het eerste elftal van die club, heb ik dus met mezelf afgesproken een stukje te schrijven.
Maar wat ik ook probeer: het lukt niet. Want ik wil eigenlijk helemaal geen stukje over Wittenhorst schrijven. Ik wil een stukje schrijven over VVV. Want daar ging ik na die eerste helft van Wittenhorst-SSS’18 naartoe. Want in De Koel was ik getuige van een wedstrijd die je hooguit eens in de tien jaar ziet. Want in De Koel zag ik hoe voetbalgod Michael Uchebo rose to the occasion, z’n finest hour beleefde en het eredivisieverblijf van VVV ook tot mijn opluchting met minstens een week verlengde.
VVV, de club die vorig jaar een speler met kanker rücksichtslos aan de kant zette. De club die z’n seizoenkaarthouders na een andermaal teleurstellend seizoen geen gratis toegang geeft tot de playoffwedstrijden. De club met ambities die een club als VVV helemaal niet behoort te hebben. De club die slechts drie van de afgelopen 51 uitwedstrijden won, maar nooit een gebaar maakte naar de getrouwen die de club door het hele land achterna reizen. De club die voetballers als handelswaar ziet.
Over die club wil ik dus een stukje schrijven. Want die club beroert mij meer dan het kampioenschap van het eerste elftal van Wittenhorst. Onverklaarbaar. Irrationeel. Misplaatst. Om je kapot voor te schamen. Toch is het niet anders. Dat kan voetbal dus met je doen. Met oprechte excuses aan Wittenhorst.
Zal ik Fever Pitch eens herlezen? Het beste boek ooit over het aanhangerschap van een voetbalclub biedt misschien een verklaring. Of moet je niet willen verklaren wat niet te verklaren valt?
P.S. 1 VVV is ook de club waarvan de voorzitter (volgens Dagblad De Limburger) dacht toen gisteren degradatie dreigde: ‘Wat betekent de eerste divisie voor het nieuwe stadion?’ Op zulk drijfzand berust dat Kazerneplan dus.
P.S. 2 Wil Roy Bouten zich in het vervolg alsjeblieft onthouden van dat vaderlijke toontje waarop hij over VVV twittert (klik bijvoorbeeld hier, hier, hier en hier)? Dan nog liever een denigrerend toontje.
Immers: het eerste elftal van die club is vanmiddag kampioen geworden en daarmee voor de tweede keer op rij gepromoveerd, ditmaal naar de eerste klasse. De club waarvan ik al sinds 1973 lid ben. De club waar ik in elk geval als voetballer ben gevormd. De club die de afgelopen jaren gestaag weer op poten is gezet. De club met meer dan duizend leden. De club die draaiende wordt gehouden door tientallen vrijwilligers die er hun hele ziel en zaligheid in stoppen. De club waar mensen mee opstaan en mee naar bed gaan (zo is het toch, Piet?). De club waarvan ik het eerste elftal vanmiddag een helft lang zag worstelen met SSS’18. De club die ik nu ergens ver op de achtergrond z’n welverdiende kampioensfeest hoor vieren. Over die club, en meer in het bijzonder over het grandioze kampioenschap van het eerste elftal van die club, heb ik dus met mezelf afgesproken een stukje te schrijven.
Maar wat ik ook probeer: het lukt niet. Want ik wil eigenlijk helemaal geen stukje over Wittenhorst schrijven. Ik wil een stukje schrijven over VVV. Want daar ging ik na die eerste helft van Wittenhorst-SSS’18 naartoe. Want in De Koel was ik getuige van een wedstrijd die je hooguit eens in de tien jaar ziet. Want in De Koel zag ik hoe voetbalgod Michael Uchebo rose to the occasion, z’n finest hour beleefde en het eredivisieverblijf van VVV ook tot mijn opluchting met minstens een week verlengde.
VVV, de club die vorig jaar een speler met kanker rücksichtslos aan de kant zette. De club die z’n seizoenkaarthouders na een andermaal teleurstellend seizoen geen gratis toegang geeft tot de playoffwedstrijden. De club met ambities die een club als VVV helemaal niet behoort te hebben. De club die slechts drie van de afgelopen 51 uitwedstrijden won, maar nooit een gebaar maakte naar de getrouwen die de club door het hele land achterna reizen. De club die voetballers als handelswaar ziet.
Over die club wil ik dus een stukje schrijven. Want die club beroert mij meer dan het kampioenschap van het eerste elftal van Wittenhorst. Onverklaarbaar. Irrationeel. Misplaatst. Om je kapot voor te schamen. Toch is het niet anders. Dat kan voetbal dus met je doen. Met oprechte excuses aan Wittenhorst.
Zal ik Fever Pitch eens herlezen? Het beste boek ooit over het aanhangerschap van een voetbalclub biedt misschien een verklaring. Of moet je niet willen verklaren wat niet te verklaren valt?
P.S. 1 VVV is ook de club waarvan de voorzitter (volgens Dagblad De Limburger) dacht toen gisteren degradatie dreigde: ‘Wat betekent de eerste divisie voor het nieuwe stadion?’ Op zulk drijfzand berust dat Kazerneplan dus.
P.S. 2 Wil Roy Bouten zich in het vervolg alsjeblieft onthouden van dat vaderlijke toontje waarop hij over VVV twittert (klik bijvoorbeeld hier, hier, hier en hier)? Dan nog liever een denigrerend toontje.
Intermezzo – Eduard (6)
Allemaal leuk en aardig met die Eduard, maar ik ben gisteren dus wel helemaal voor noppes naar Griendtsveen getuft.
12,5 kilometer heen, 12,5 kilometer terug. Was ik soms te vroeg (omstreeks 10.13 uur)? Of doet Eduard helemaal niet aan Moederdag? ‘Aan mijn lijf geen Moederdag. Hier in huis geen knieval voor de commercie, zegt m’n lief Katrientje altijd.’ Zou me dan weer meevallen van ’m. Zou me ook wat vergevingsgezinder maken. Wel vraag ik me nu al af wat ik donderdag moet doen. Is Eduard Hemelvaartsdagvierder of heeft hij ook daarvan een afkeer? En wat doet meneer als Griendtsveen tegen alle verwachtingen in naar de vijfde klasse promoveert? Een blauwwitte sjaal lijkt me toch wel het minste. Of is Eduard zo iemand die neerkijkt op de edele voetbalsport en liever een cricketmatch aanschouwt?
Wat ik eigenlijk wil zeggen: ik zou het wel waarderen als de anonieme decorateur/decoratrice van Eduard mij in ruil voor al m’n loftuitingen en gratis Griendtsveenpromotie van tevoren even inseint als Eduard weer eens van kleur dreigt te verschieten. Anders zie ik me in de toekomst wellicht genoodzaakt een onkostendeclaratie in te dienen voor vergeefs gemaakte kilometers.
Nu we het toch over Griendtsveen hebben: wist u dat het dorp en z’n omgeving in de jaren zestig aan een ramp is ontsnapt? Tijdens een bezoek aan het Horster gemeentearchief stuitte ik onlangs op een artikel over Griendtsveen uit Panorama. Verschenen in de zomer van 1962, kort nadat de gemeente Horst het dorp had gekocht van de Maatschappij Griendtsveen. Uit het artikel blijkt dat de Horster vroede vaderen snode plannen hadden met Griendtsveen, ‘die de bestaanszekerheid en de leefbaarheid van de Griendtsveense gemeenschap zullen verzekeren’. Het blad kopt zelfs: ‘Een paradijs in de Peel’ (klik op de afbeelding om haar te vergroten).
Dat paradijs zou ontstaan door ontsluiting van het veengebied van duizend hectare aan de rand van Griendtsveen. Het dorp zou daardoor worden opgestoten in de vaart der volkeren. In de woorden van Panoramajournalist Anton Martin:
12,5 kilometer heen, 12,5 kilometer terug. Was ik soms te vroeg (omstreeks 10.13 uur)? Of doet Eduard helemaal niet aan Moederdag? ‘Aan mijn lijf geen Moederdag. Hier in huis geen knieval voor de commercie, zegt m’n lief Katrientje altijd.’ Zou me dan weer meevallen van ’m. Zou me ook wat vergevingsgezinder maken. Wel vraag ik me nu al af wat ik donderdag moet doen. Is Eduard Hemelvaartsdagvierder of heeft hij ook daarvan een afkeer? En wat doet meneer als Griendtsveen tegen alle verwachtingen in naar de vijfde klasse promoveert? Een blauwwitte sjaal lijkt me toch wel het minste. Of is Eduard zo iemand die neerkijkt op de edele voetbalsport en liever een cricketmatch aanschouwt?
Wat ik eigenlijk wil zeggen: ik zou het wel waarderen als de anonieme decorateur/decoratrice van Eduard mij in ruil voor al m’n loftuitingen en gratis Griendtsveenpromotie van tevoren even inseint als Eduard weer eens van kleur dreigt te verschieten. Anders zie ik me in de toekomst wellicht genoodzaakt een onkostendeclaratie in te dienen voor vergeefs gemaakte kilometers.
Nu we het toch over Griendtsveen hebben: wist u dat het dorp en z’n omgeving in de jaren zestig aan een ramp is ontsnapt? Tijdens een bezoek aan het Horster gemeentearchief stuitte ik onlangs op een artikel over Griendtsveen uit Panorama. Verschenen in de zomer van 1962, kort nadat de gemeente Horst het dorp had gekocht van de Maatschappij Griendtsveen. Uit het artikel blijkt dat de Horster vroede vaderen snode plannen hadden met Griendtsveen, ‘die de bestaanszekerheid en de leefbaarheid van de Griendtsveense gemeenschap zullen verzekeren’. Het blad kopt zelfs: ‘Een paradijs in de Peel’ (klik op de afbeelding om haar te vergroten).
Dat paradijs zou ontstaan door ontsluiting van het veengebied van duizend hectare aan de rand van Griendtsveen. Het dorp zou daardoor worden opgestoten in de vaart der volkeren. In de woorden van Panoramajournalist Anton Martin:
‘Dit unieke complex van 1000 ha ongerepte natuur, met zijn bossen, zijn waters en zijn kanalen, zal ontsloten worden en gemaakt tot een gedroomd recreatie- en vakantieoord. Griendtsveen zal van dit “gebied” de verzorging hebben. Dat wil zeggen: de toeloop van toeristen, hengelaars, wandelaars, kampeerders, waterskiërs en noem maar op zal door een Griendtsveense thans nog niet bestaande “middenstand” bevoorraad moeten worden. Er wordt in de komende jaren een zeer grote inwijking in Griendtsveen verwacht. Van bakkers en kruideniers, van zuivelhandelaren en cafetariahouders, van garagebedrijven en ijstenten. De lijst is voor uitbreiding vatbaar. Heeft u een tent? Heeft u een caravan? Heeft u een motorboot? Nog even geduld en u kunt naar Griendtsveen.’De ramp was niet te overzien geweest. Wat een geluk dat sommige snode plannen sneven. Zelfs die van Horster vroede vaderen.
maandag 7 mei 2012
Top 5 – Horster kermiskassa’s
Eerst even wat losse kermisgedachten en –ervaringen.
‘Niet gooien, maar rrrrollen!’
Een groter contrast tussen het oorverdovende kermislawaai en het knisperen van voetstappen in verse sneeuw is nauwelijks denkbaar. Toch geloof ik dat beide me even dierbaar zijn.
‘Ballen vast, ballen vast. En rrrrollen maar.’
Glamour, wulpse dames met diepe decolletés, fancy cars, Hollywood dat nooit ver weg is, het leven in de fast lane, indrukwekkende mannentorso’s: als je het als middelmatig begaafd kunstschilder niet redt, kun je altijd nog kermisdecorschilder worden. In tegenstelling tot in het museum worden je creaties door vele tienduizenden gezien. Of ze ook worden bekeken, is weer iets anders.
‘Niet gooien, maar rrrrollen!’
Vergeet Naar de kermis van Ciska Peters en Ronnie Tober. We gaan samen naar de kermis van Nooit Dogt is veel beter:
Zondagochtend, 8.15 uur. Ben bezig met het maken van wat kermisfoto’s als boven me een raam wordt geopend.
‘Bent u geluidsmetingen aan het doen?’
‘Nee, ik fotografeer kermisattracties.’
‘Het is echt verschrikkelijk.’
‘Wat?’
‘Die herrie!’
‘Van de veegwagens? Valt toch wel mee, dacht ik?’
‘Nee, niet van die veegwagens! De kermis! Ik kan het geluid van m’n eigen televisie niet eens meer verstaan. Ik ga morgen de gemeente bellen.’
Zeiktrien.
Zelfs de viskraam weet op de kermis boven zichzelf uit te stijgen.
‘Ballen vast, ballen vast. En rrrrollen maar.’
Ik mag dan wel geen jongen meer zijn, net ben ik zeker. Gewoon maar eens een sollicitatiebrief schrijven?
‘Niet gooien, maar rrrrollen!’
En dan nu, hooggeëerd publiek, mijn top 5 van Horster kermiskassa’s:
5.
Oogt wat al te onschuldig voor een kermiskassa. Wordt aan de achterzijde gelukkig enigszins gecompenseerd.
4.
Cyberwereld en kermis. Of dat nou zo’n gelukkig huwelijk is?
3.
Zó jaren tachtig. Ademt de wilde frisheid van limoenen.
2.
De jungle met al z’n exotische verlokkingen was nooit eerder in zo greifbarer Nähe voor het complete Horster ambtenarenkorps.
1.
Need I say more?
‘Niet gooien, maar rrrrollen!’
Een groter contrast tussen het oorverdovende kermislawaai en het knisperen van voetstappen in verse sneeuw is nauwelijks denkbaar. Toch geloof ik dat beide me even dierbaar zijn.
‘Ballen vast, ballen vast. En rrrrollen maar.’
Glamour, wulpse dames met diepe decolletés, fancy cars, Hollywood dat nooit ver weg is, het leven in de fast lane, indrukwekkende mannentorso’s: als je het als middelmatig begaafd kunstschilder niet redt, kun je altijd nog kermisdecorschilder worden. In tegenstelling tot in het museum worden je creaties door vele tienduizenden gezien. Of ze ook worden bekeken, is weer iets anders.
‘Niet gooien, maar rrrrollen!’
Vergeet Naar de kermis van Ciska Peters en Ronnie Tober. We gaan samen naar de kermis van Nooit Dogt is veel beter:
Zondagochtend, 8.15 uur. Ben bezig met het maken van wat kermisfoto’s als boven me een raam wordt geopend.
‘Bent u geluidsmetingen aan het doen?’
‘Nee, ik fotografeer kermisattracties.’
‘Het is echt verschrikkelijk.’
‘Wat?’
‘Die herrie!’
‘Van de veegwagens? Valt toch wel mee, dacht ik?’
‘Nee, niet van die veegwagens! De kermis! Ik kan het geluid van m’n eigen televisie niet eens meer verstaan. Ik ga morgen de gemeente bellen.’
Zeiktrien.
Zelfs de viskraam weet op de kermis boven zichzelf uit te stijgen.
‘Ballen vast, ballen vast. En rrrrollen maar.’
Ik mag dan wel geen jongen meer zijn, net ben ik zeker. Gewoon maar eens een sollicitatiebrief schrijven?
‘Niet gooien, maar rrrrollen!’
En dan nu, hooggeëerd publiek, mijn top 5 van Horster kermiskassa’s:
5.
Oogt wat al te onschuldig voor een kermiskassa. Wordt aan de achterzijde gelukkig enigszins gecompenseerd.
4.
Cyberwereld en kermis. Of dat nou zo’n gelukkig huwelijk is?
3.
Zó jaren tachtig. Ademt de wilde frisheid van limoenen.
2.
De jungle met al z’n exotische verlokkingen was nooit eerder in zo greifbarer Nähe voor het complete Horster ambtenarenkorps.
1.
Need I say more?
Klein mysterie 342 – Drugsmobiel
Verkoopadvertenties kom je soms op de meest vreemde plaatsen tegen. In het najaar van 2010 ontdekte ik op een van de wanden van de JOP – weet over vijf jaar nog iemand waarvoor die afkorting staat? – aan de Beemdweg in Melderslo deze advertentie:
Voor zover ik het kan ontcijferen, staat er ongeveer dit:
Te koop: Drugsmobiel z.g.a.n.
Heeft enige gebruikssporen
…[onleesbaar] pr: 2 gr. (85/)
(met ingebouwd snatsplateau)
‘Niet aan mij besteed’, dacht ik en ging over tot de orde van de dag.
Drugsmobiel inclusief ingebouwd snatsplateau leken voor eeuwig uit mijn blikveld verdwenen. Totdat het 1 mei 2012 werd. Invoering van de wietpas. Softdrugs terug in het illegale circuit. Viel daar geen geld aan te verdienen? Ook door mij? Als eigenaar en chauffeur van een drugsmobiel? Want als we het dan toch over droombanen hebben, komt chauffeur van een drugsmobiel dicht in de buurt. Lijkt me nou echt ontzettend relaxed werk. Als een melkboer langs de huizen trekken, twee keer op die claxon drukken en van alle kanten stromen de klanten toe, dankbaar dat iemand in hun dopenood wil voorzien. Complimentje hier, opbeurend woordje daar en, hup, op naar de volgende straat om daar weer andere mensen in hoger sferen te laten geraken. En ondertussen goud geld verdienen. Zou m’n in het slop geraakte carrière er weer compleet bovenop helpen.
Met het ingebouwde snatsplateau zou ik al m’n concurrenten de loef afsteken. Want neem van mij aan: drugsmobielen met ingebouwd snatsplateau zijn op de vingers van één hand te tellen. En die gebruikssporen dan? Ach, daar zou ik mee kunnen leven. Wat is een drugsmobiel tenslotte zonder gebruikssporen? Ja, ik zag het al helemaal voor me: likje verf, de naam met het oog op het binnenrijm veranderen in Wietmobiel en karren maar. Kostje gekocht.
Het was wel al anderhalf jaar geleden dat ik de advertentie had gespot. Ze zou toch niet verdwenen zijn? Snel op naar Melderslo, maar gelukkig straalde ze nog in volle glorie, met inbegrip van de vierde regel (pr: 2 gr. (85/)) die ik absoluut niet kan duiden.
En toen kwam de cold turkey. Bezoek van de man met de moker. Ineens drong namelijk de vreselijke werkelijkheid van het ontbreken van een adres of telefoonnummer tot me door. Bij wie moet ik in vredesnaam m’n belangstelling voor het drugsmobiel kenbaar maken? Mijn toekomstdroom zal toch niet in rook opgaan? Ik vraag, ik bid, ik smeek de verkoper van het drugsmobiel: neem een voorbeeld aan de decorateur of decoratrice van Eduard en reageer op dit bericht of mail me. God zal het u vergelden.
Voor zover ik het kan ontcijferen, staat er ongeveer dit:
Te koop: Drugsmobiel z.g.a.n.
Heeft enige gebruikssporen
…[onleesbaar] pr: 2 gr. (85/)
(met ingebouwd snatsplateau)
‘Niet aan mij besteed’, dacht ik en ging over tot de orde van de dag.
Drugsmobiel inclusief ingebouwd snatsplateau leken voor eeuwig uit mijn blikveld verdwenen. Totdat het 1 mei 2012 werd. Invoering van de wietpas. Softdrugs terug in het illegale circuit. Viel daar geen geld aan te verdienen? Ook door mij? Als eigenaar en chauffeur van een drugsmobiel? Want als we het dan toch over droombanen hebben, komt chauffeur van een drugsmobiel dicht in de buurt. Lijkt me nou echt ontzettend relaxed werk. Als een melkboer langs de huizen trekken, twee keer op die claxon drukken en van alle kanten stromen de klanten toe, dankbaar dat iemand in hun dopenood wil voorzien. Complimentje hier, opbeurend woordje daar en, hup, op naar de volgende straat om daar weer andere mensen in hoger sferen te laten geraken. En ondertussen goud geld verdienen. Zou m’n in het slop geraakte carrière er weer compleet bovenop helpen.
Met het ingebouwde snatsplateau zou ik al m’n concurrenten de loef afsteken. Want neem van mij aan: drugsmobielen met ingebouwd snatsplateau zijn op de vingers van één hand te tellen. En die gebruikssporen dan? Ach, daar zou ik mee kunnen leven. Wat is een drugsmobiel tenslotte zonder gebruikssporen? Ja, ik zag het al helemaal voor me: likje verf, de naam met het oog op het binnenrijm veranderen in Wietmobiel en karren maar. Kostje gekocht.
Het was wel al anderhalf jaar geleden dat ik de advertentie had gespot. Ze zou toch niet verdwenen zijn? Snel op naar Melderslo, maar gelukkig straalde ze nog in volle glorie, met inbegrip van de vierde regel (pr: 2 gr. (85/)) die ik absoluut niet kan duiden.
En toen kwam de cold turkey. Bezoek van de man met de moker. Ineens drong namelijk de vreselijke werkelijkheid van het ontbreken van een adres of telefoonnummer tot me door. Bij wie moet ik in vredesnaam m’n belangstelling voor het drugsmobiel kenbaar maken? Mijn toekomstdroom zal toch niet in rook opgaan? Ik vraag, ik bid, ik smeek de verkoper van het drugsmobiel: neem een voorbeeld aan de decorateur of decoratrice van Eduard en reageer op dit bericht of mail me. God zal het u vergelden.
Intermezzo – Kermisklant
Eerste zondag van mei: Horster kermis. Ik ben niet zo’n kermisklant. Nooit geweest ook. Maar als er ineens een neefje en een nichtje in je leven komen, valt er niet aan te ontsnappen. Twee jaar geleden dwong m’n destijds zevenjarige nichtje me tot enkele rondjes in het (mini)reuzenrad. Een traumatische ervaring, die ik later van me af probeerde te schrijven in een voor haar bestemd verhaaltje.
Het is kermis in Horst. X en Y willen dat Wim meegaat naar de kermis. Als X en Y zoiets vragen, dan doet Wim dat gewoon. Dus gaan X en Y gezellig samen met hun oom en mama naar de kermis. X wil graag in het reuzenrad. Wim heeft daar niet zoveel zin in.
‘Kom mee, Wim, samen in het reuzenrad!’, zegt X.
‘Nee, daar heb ik geen zin in’, zegt Wim.
‘Je bent zeker bang?’, vraagt X.
‘Helemaal niet. Hoe kom je daar nu weer bij?’, zegt Wim.
Omdat X aan blijft dringen, gaat Wim toch maar mee met X in het reuzenrad. X is tenslotte zijn liefste nichtje.
‘Zit je goed?’, vraagt Wim.
‘Ja, hoor’, zegt X.
‘Geef mij maar een hand, want het reuzenrad gaat heel hoog’, zegt Wim.
‘Nee, dat hoeft niet. Ik heb al vaker in het reuzenrad gezeten’, zegt X.
‘Ik nog nooit’, zegt Wim.
Dan doet de man van het reuzenrad het hekje dicht. Daar gaan ze, X en Wim, samen in een schuitje! Maar wat is dat? Plotseling stopt het reuzenrad. Het schuitje van X en Wim is juist helemaal boven. Héél hoog in de lucht hangt het schuitje stil. Het wiebelt wel nog een beetje.
‘Wat is dat nu weer?’, vraagt Wim.
‘O, niks hoor. Beneden stappen een paar nieuwe mensen in een schuitje. Daarom hangen wij nu even stil’, zegt X.
‘O’, zegt Wim, ‘ik dacht al.’
‘Je bent toch niet bang?’, vraagt X.
‘Bang? Ik? Nee hoor! Ben je gek!’, zegt Wim.
De mensen zijn ingestapt. Het reuzenrad gaat weer verder. Als ze beneden zijn, zwaaien X en Wim vlug naar Y en mama. Maar dan gaat het schuitje alweer naar boven. Y en mama worden snel kleiner.
‘Kijk, daar lopen Puk en Muk’, zegt X als ze weer boven zijn.
‘Waar?’, vraagt Wim.
‘Dáár! Daar beneden’, zegt X.
‘Ik zie ze niet’, zegt Wim.
‘Maar je kijkt ook helemaal niet’, zegt X.
‘Ben je soms een beetje bang?’
‘Een heel klein bbbeetje’, bibbert Wim.
‘Geeft helemaal niets hoor’, zegt X. ‘Wil je mijn hand vasthouden?’
‘Mmmag dat?’, vraagt Wim.
‘Natuurlijk!’, zegt X. ‘Iedereen is toch wel eens bang?’
Wim voelt zich wat meer op z’n gemak nu hij de hand van X mag vasthouden. Als ze voor de derde keer helemaal boven zijn, durft hij zelfs heel voorzichtig naar beneden te kijken. Maar hij blijft de hand van X wel stevig vasthouden.
‘Hoe was het?’, vraagt mama als X en Wim na vijf rondjes uitstappen.
‘Leuk!’, zegt X.
‘En vond Wim het ook leuk?’, vraagt mama.
‘Wim was eerst een beetje bang’, zegt X. ‘Maar toen hij mijn hand mocht vasthouden, ging het al een stuk beter.’
‘Ik was helemaal niet bang. Ik deed alleen maar net alsof’, zegt Wim.
Het is kermis in Horst. X en Y willen dat Wim meegaat naar de kermis. Als X en Y zoiets vragen, dan doet Wim dat gewoon. Dus gaan X en Y gezellig samen met hun oom en mama naar de kermis. X wil graag in het reuzenrad. Wim heeft daar niet zoveel zin in.
‘Kom mee, Wim, samen in het reuzenrad!’, zegt X.
‘Nee, daar heb ik geen zin in’, zegt Wim.
‘Je bent zeker bang?’, vraagt X.
‘Helemaal niet. Hoe kom je daar nu weer bij?’, zegt Wim.
Omdat X aan blijft dringen, gaat Wim toch maar mee met X in het reuzenrad. X is tenslotte zijn liefste nichtje.
‘Zit je goed?’, vraagt Wim.
‘Ja, hoor’, zegt X.
‘Geef mij maar een hand, want het reuzenrad gaat heel hoog’, zegt Wim.
‘Nee, dat hoeft niet. Ik heb al vaker in het reuzenrad gezeten’, zegt X.
‘Ik nog nooit’, zegt Wim.
Dan doet de man van het reuzenrad het hekje dicht. Daar gaan ze, X en Wim, samen in een schuitje! Maar wat is dat? Plotseling stopt het reuzenrad. Het schuitje van X en Wim is juist helemaal boven. Héél hoog in de lucht hangt het schuitje stil. Het wiebelt wel nog een beetje.
‘Wat is dat nu weer?’, vraagt Wim.
‘O, niks hoor. Beneden stappen een paar nieuwe mensen in een schuitje. Daarom hangen wij nu even stil’, zegt X.
‘O’, zegt Wim, ‘ik dacht al.’
‘Je bent toch niet bang?’, vraagt X.
‘Bang? Ik? Nee hoor! Ben je gek!’, zegt Wim.
De mensen zijn ingestapt. Het reuzenrad gaat weer verder. Als ze beneden zijn, zwaaien X en Wim vlug naar Y en mama. Maar dan gaat het schuitje alweer naar boven. Y en mama worden snel kleiner.
‘Kijk, daar lopen Puk en Muk’, zegt X als ze weer boven zijn.
‘Waar?’, vraagt Wim.
‘Dáár! Daar beneden’, zegt X.
‘Ik zie ze niet’, zegt Wim.
‘Maar je kijkt ook helemaal niet’, zegt X.
‘Ben je soms een beetje bang?’
‘Een heel klein bbbeetje’, bibbert Wim.
‘Geeft helemaal niets hoor’, zegt X. ‘Wil je mijn hand vasthouden?’
‘Mmmag dat?’, vraagt Wim.
‘Natuurlijk!’, zegt X. ‘Iedereen is toch wel eens bang?’
Wim voelt zich wat meer op z’n gemak nu hij de hand van X mag vasthouden. Als ze voor de derde keer helemaal boven zijn, durft hij zelfs heel voorzichtig naar beneden te kijken. Maar hij blijft de hand van X wel stevig vasthouden.
‘Hoe was het?’, vraagt mama als X en Wim na vijf rondjes uitstappen.
‘Leuk!’, zegt X.
‘En vond Wim het ook leuk?’, vraagt mama.
‘Wim was eerst een beetje bang’, zegt X. ‘Maar toen hij mijn hand mocht vasthouden, ging het al een stuk beter.’
‘Ik was helemaal niet bang. Ik deed alleen maar net alsof’, zegt Wim.
Intermezzo – Eduard (5)
Hoewel hij van brons is, krijgt het er steeds meer de schijn van dat ik met Eduard goud in handen heb. Nadat hij op 1 mei, de Dag van de Arbeid, op mijn speciale verzoek was versierd met een rode roos (achter z’n rechteroor nog wel),
ontving ik een dag later de volgende e-mail van een afzender genaamd ‘DorpGriendtsveen’:
Hallo,
Leuk die moeite die je doet om onze Eduard in pracht en praal te zien. Misschien zijn er nog wel meer dagen dat ie zich optuigt voor ons. Hij past zich natuurlijk ook aan bij de plaatselijke feesten. Misschien nog wel eerder dan verwacht. Maar wat Eduard niet zal doen is zich verkleden op 4 mei. Deze dag ligt voor sommige mensen te gevoelig. Hij wil je graag dit ritje besparen.
Inderdaad vroeg ik me al af hoe Eduard op 4 mei getooid zou zijn. Leek me geen eenvoudig klusje iets passends te verzinnen. Datzelfde gold ook voor 5 mei, Bevrijdingsdag. Dus aanvaardde ik zaterdagmiddag in de stromende regen in gespannen afwachting de zoveelste reis naar Griendtsveen. En opnieuw bepaald niet tevergeefs:
Het mooie van de e-mail is verder dat ie vrij cryptisch is: geen lijstje met exacte data en tijdstippen, nee, de waarheid een beetje in het midden laten en met enkele toespelingen toch een tipje van de sluier oplichten. Duidelijk lijkt me in elk geval dat ik er verstandig aan doe de plaatselijke evenementenagenda in de gaten te houden. Ik heb de anonieme afzender(s) van de e-mail dan ook beloofd dat te doen.
Nu ik erover nadenk: Eduard zou ook uitermate geschikt zijn geweest om mee te dingen in de CDA-leiderschapsstrijd. Kameleon onder de kameleons.
Z’n halfhartigheid past ook in een mooie CDA-traditie. Waar tegenover staat dat ie niet eens last kán krijgen van onderbuikgevoelens.
ontving ik een dag later de volgende e-mail van een afzender genaamd ‘DorpGriendtsveen’:
Hallo,
Leuk die moeite die je doet om onze Eduard in pracht en praal te zien. Misschien zijn er nog wel meer dagen dat ie zich optuigt voor ons. Hij past zich natuurlijk ook aan bij de plaatselijke feesten. Misschien nog wel eerder dan verwacht. Maar wat Eduard niet zal doen is zich verkleden op 4 mei. Deze dag ligt voor sommige mensen te gevoelig. Hij wil je graag dit ritje besparen.
Inderdaad vroeg ik me al af hoe Eduard op 4 mei getooid zou zijn. Leek me geen eenvoudig klusje iets passends te verzinnen. Datzelfde gold ook voor 5 mei, Bevrijdingsdag. Dus aanvaardde ik zaterdagmiddag in de stromende regen in gespannen afwachting de zoveelste reis naar Griendtsveen. En opnieuw bepaald niet tevergeefs:
Het mooie van de e-mail is verder dat ie vrij cryptisch is: geen lijstje met exacte data en tijdstippen, nee, de waarheid een beetje in het midden laten en met enkele toespelingen toch een tipje van de sluier oplichten. Duidelijk lijkt me in elk geval dat ik er verstandig aan doe de plaatselijke evenementenagenda in de gaten te houden. Ik heb de anonieme afzender(s) van de e-mail dan ook beloofd dat te doen.
Nu ik erover nadenk: Eduard zou ook uitermate geschikt zijn geweest om mee te dingen in de CDA-leiderschapsstrijd. Kameleon onder de kameleons.
Z’n halfhartigheid past ook in een mooie CDA-traditie. Waar tegenover staat dat ie niet eens last kán krijgen van onderbuikgevoelens.
dinsdag 1 mei 2012
Intermezzo – Eduard (4)
Die goeie ouwe Eduard draait zich ongetwijfeld om in z’n graf, maar toch was dit vanavond even voor acht het beeld dat ik aantrof nabij de splitsing Deurneseweg – Pastoor Hendriksstraat in Griendtsveen:
Een (nep)roos kunstig verbonden aan het rechteroor van Eduard en aan het onderste uiteinde van de steel een kaartje met opschrift:
Mijn eerste gedachte bij het aanschouwen van dit tafereeltje was: ‘Geweldig! De anonieme decorateur of decoratrice leest Horst-sweet-Horst!’
Mijn tweede gedachte bij het aanschouwen van dit tafereeltje was: ‘Nu zullen er ongetwijfeld hele lezersscharen zijn die denken dat ik niets beters te doen heb en zelf dit tafereeltje in scene heb gezet, niet wetende dat ik vanochtend om half zeven met de trein naar Maastricht ben vertrokken, exact twaalf uur later weer terug was, vervolgens snelsnel gadogado met witte rijst bij Chinees restaurant Tin Sun heb gehaald,
die daarna in een vloek en een zucht heb verorberd, me vervolgens van een geleende wagen heb voorzien omdat m’n eigen vehikel het gisteren begaf, daarna in gloeiende vaart naar het tankstation ben gekard om de tank van die geleende wagen vol te gooien met brandstof en ten slotte met de vlam in de pijp over de Grauwveenweg naar Griendtsveen ben geracet om daar twee minuten voor acht bij het beeld van Eduard te arriveren. Je zou toch wel gek zijn als je daarna ook nog zo’n tafereeltje in scene ging zetten?’
Mijn derde gedachte bij het aanschouwen van dit tafereeltje was: ‘Dit kan natuurlijk het werk zijn van de anonieme decorateur of decoratrice, maar het kan even goed een daad zijn geweest van een andere lezer van Horst-sweet-Horst die verwarring heeft willen zaaien.’
Mijn vierde gedachte bij het aanschouwen van dit tafereeltje was: ‘Als inderdaad iemand verwarring heeft willen zaaien, is hij of zij wonderwel in zijn of haar opzet geslaagd. Maar misschien lost het mysterie zich op 4 of 5 mei wel vanzelf op.’
Mijn vijfde gedachte bij het aanschouwen van dit tafereeltje was: ‘Ik neem het niemand kwalijk, maar op de achtergrond is geen Internationale te horen. Als ik thuis ben nog maar eens op YouTube zoeken naar een Hannes Wader-vertolking van de Internationale.’
Mijn zesde gedachte bij het aanschouwen van dit tafereeltje was: ‘De tweet die m’n nicht Marieke gisteren de wereld in slingerde (‘Ik heb van huis uit niet zo veel met koninginnedag. Wij waren – en zijn nog steeds – meer van 1 mei’) had ook door mij of door m’n zus geschreven kunnen zijn. Tegenover het geluk van zo’n opvoeding staat de pech van het leven in zo ongeveer het enige land ter wereld waar 1 mei niets om het lijf heeft.’
Mijn zevende gedachte bij het aanschouwen van dit tafereeltje was: ‘En nu als de wiedeweerga naar huis om er een stukje over te schrijven.’
Een (nep)roos kunstig verbonden aan het rechteroor van Eduard en aan het onderste uiteinde van de steel een kaartje met opschrift:
Mijn eerste gedachte bij het aanschouwen van dit tafereeltje was: ‘Geweldig! De anonieme decorateur of decoratrice leest Horst-sweet-Horst!’
Mijn tweede gedachte bij het aanschouwen van dit tafereeltje was: ‘Nu zullen er ongetwijfeld hele lezersscharen zijn die denken dat ik niets beters te doen heb en zelf dit tafereeltje in scene heb gezet, niet wetende dat ik vanochtend om half zeven met de trein naar Maastricht ben vertrokken, exact twaalf uur later weer terug was, vervolgens snelsnel gadogado met witte rijst bij Chinees restaurant Tin Sun heb gehaald,
die daarna in een vloek en een zucht heb verorberd, me vervolgens van een geleende wagen heb voorzien omdat m’n eigen vehikel het gisteren begaf, daarna in gloeiende vaart naar het tankstation ben gekard om de tank van die geleende wagen vol te gooien met brandstof en ten slotte met de vlam in de pijp over de Grauwveenweg naar Griendtsveen ben geracet om daar twee minuten voor acht bij het beeld van Eduard te arriveren. Je zou toch wel gek zijn als je daarna ook nog zo’n tafereeltje in scene ging zetten?’
Mijn derde gedachte bij het aanschouwen van dit tafereeltje was: ‘Dit kan natuurlijk het werk zijn van de anonieme decorateur of decoratrice, maar het kan even goed een daad zijn geweest van een andere lezer van Horst-sweet-Horst die verwarring heeft willen zaaien.’
Mijn vierde gedachte bij het aanschouwen van dit tafereeltje was: ‘Als inderdaad iemand verwarring heeft willen zaaien, is hij of zij wonderwel in zijn of haar opzet geslaagd. Maar misschien lost het mysterie zich op 4 of 5 mei wel vanzelf op.’
Mijn vijfde gedachte bij het aanschouwen van dit tafereeltje was: ‘Ik neem het niemand kwalijk, maar op de achtergrond is geen Internationale te horen. Als ik thuis ben nog maar eens op YouTube zoeken naar een Hannes Wader-vertolking van de Internationale.’
Mijn zesde gedachte bij het aanschouwen van dit tafereeltje was: ‘De tweet die m’n nicht Marieke gisteren de wereld in slingerde (‘Ik heb van huis uit niet zo veel met koninginnedag. Wij waren – en zijn nog steeds – meer van 1 mei’) had ook door mij of door m’n zus geschreven kunnen zijn. Tegenover het geluk van zo’n opvoeding staat de pech van het leven in zo ongeveer het enige land ter wereld waar 1 mei niets om het lijf heeft.’
Mijn zevende gedachte bij het aanschouwen van dit tafereeltje was: ‘En nu als de wiedeweerga naar huis om er een stukje over te schrijven.’
Abonneren op:
Posts (Atom)