Schön war die Zeit, das Paradies, das wir besessen
Ich werd’ es nie vergessen, wir glaubten, dass uns keiner daraus vertreibt
L‘enfer, c’est les autres
Van paradijs tot hel. Het paradijs, waaruit niemand ons zou kunnen verdrijven, is ons toch afgepakt. Door de anderen. Altijd weer die anderen, die vermaledijde anderen. De hel, dat zijn de anderen.
Nee, dan wij. Wíj zijn bovenste beste brave borsten. Wíj kleuren uitsluitend binnen de lijntjes. Wíj hangen de vuile was niet buiten. Wíj knijpen de katjes niet in het donker. Wíj pissen niet buiten het potje. Wíj hangen niet de beest uit. Wíj laten de boel niet de boel. Wíj kennen geen ongelikte beren. Wíj maken er geen potje van.
Wij hebben groener gras dan de buren. Wij zagen van dik hout planken. Wij vegen onze eigen straatjes schoon. Wij vinden altijd een stok om de hond mee te slaan. Wij weten dat het in troebel water goed vissen is.
Wij wassen onze handen in onschuld. Wij zijn het beste jongetje van de klas.
De hel, dat zijn wijzelf.
L’enfer, c’est nous-mêmes


Geen opmerkingen:
Een reactie posten