vrijdag 22 april 2022

Intermezzo – Ooijen-Wanssum (1)

‘Ik was niet betrokken bij de deal, maar ik heb wel betrokkenheid gehad’, zei minister Hugo de Jonge op 7 april in het Kamerdebat over de zogeheten mondkapjesdeal. Nog geen 24 uur later deed Herman Nijskens, Statenlid namens de VVD, in de vergadering van Provinciale Staten van Limburg, Hugo de Jonge nog eens dunnetjes over: ‘In de lijst met toezeggingen staat het niet maar het is toegezegd.’ Dit nadat hij eerder had gerept van ‘Toezeggingen of in elk geval verwachtingen die zijn gewekt’.


Nijskens voerde het woord over het natuurbeheer in het gebied Ooijen-Wanssum. U weet wel, die gereactiveerde Maasarm. Ik heb nooit geloofd in maakbaarheid van natuur. Toch moet ik eerlijk bekennen dat de twijfel heeft toegeslagen sinds ik geregeld in het gebied Ooijen-Wanssum vertoef. Een karakterloos landschap is hier in enkele jaren omgetoverd in een paradijsje. Vijfhonderd hectare groot en het is er allemaal: bijzondere planten, zeldzame dieren, kleinschaligheid afgewisseld met majestueuze vergezichten.


Staatsbosbeheer is de tijdelijke beheerder van het gebied. Staatsbosbeheer leek ook de permanente beheerder te worden. Totdat Herman Nijskens op 8 april de zaak ineens kwam verpesten. Samen met het CDA, Forum voor Democratie, PVV, Lokaal-Limburg en SVL riep hij het provinciebestuur op het beheer van het gebied in handen te geven van lokale boeren. Op grond van eerdere toezeggingen. Of gewekte verwachtingen. De motie van Nijskens en consorten kreeg een ruime meerderheid. Nu is het woord weer aan het provinciebestuur.


Vreemde zaak. Ooit hebben boeren hun landbouwgrond verkocht aan de provincie voor de ontwikkeling van gebied Ooijen-Wanssum. Waarom zouden diezelfde boeren dan nu ineens beheerders van een natuurgebied moeten worden? Boeren is toch iets heel anders dan natuur beheren? Bovendien ligt het gevaar van versnippering levensgroot op de loer als boeren elk voor zich verantwoordelijk worden voor het natuurbeheer van een klein stukje van het gebied. En dat terwijl het gebied de afgelopen jaren nu juist zo’n mooie eenheid is geworden.


Verder is het maar de vraag in hoeverre de huidige natuurwaarden gegarandeerd zijn als Nijskens en consorten hun zin krijgen. Het huidige natuurdoeltype (een van de vreselijkste woorden die ik ken) voor het gebied is ‘rivier- en moeraslandschap’. Tijdens de raadsvergadering van de gemeente Horst aan de Maas verzekerde wethouder Eric Beuskens (Essentie) afgelopen dinsdag: ‘Uitgangspunt is het beheerprofiel dat daar is neergelegd, namelijk moerasgrond en rivierenlandschap. Er worden dus geen concessies gedaan aan de natuurwaarden die we daar willen bereiken.’ Maar in de door Provinciale Staten aangenomen motie van Nijskens staat nu juist expliciet vermeld dat dit natuurdoeltype eventueel ook kan worden aangepast in ‘agrarisch natuurbeheer’. Natuur, maak je borst maar nat.

Een kortere versie van dit stukje verscheen afgelopen woensdag in Via Horst-Venray.

woensdag 20 april 2022

Intermezzo – Kasteelruïne (2)

I
Ik ontving een mail van Roel van den Bekerom: ‘Naar aanleiding van je artikel over de oude kasteelruïne heb ik in mijn archief gezocht. Ik heb heel veel foto's gemaakt in 2002-2003 toen de kaalslag is begonnen. Ook van ervoor. Als je wil kan ik je die doorsturen.’ Heel graag natuurlijk! Alle foto’s bij dit stukje komen dan ook uit de collectie van Roel. Waarvoor eeuwige dank!


II
Ik schreef maandag (klik hier) dat ik me nog uit mijn jeugd herinnerde hoe fantastisch de ruïne van kasteel Huis ter Horst erbij lag in de jaren zeventig en tachtig van de vorige eeuw. Foutje, zo blijkt uit de foto’s van Roel: de ruïne was tot en met 2002 een plaatje.


III
Ik besloot nog eens te bladeren in Huis ter Horst een toekomst voor een ruïne, het verslag van een in 1995 gehouden studiedag over de toekomst van de ruïne. Zomaar wat citaten:

‘Het “laten liggen en afblijven” is het meest ruïne-vriendelijk.’

‘Een ruïne is vaak beter beschermd als ze onder de grond zit. Vaak blijkt dat er pas problemen rondom ruïnes ontstaan als ze worden opgegraven.’

‘Bij het restaureren van ruïnes zal er, jammer genoeg, blijvend sprake zijn van een ad hoc-beleid. Uiteindelijk zal er een compromis ontstaan, dat voor alle partijen onbevredigend zal zijn.’


IV
Ik luisterde gisteravond naar de voorbereidende raadsvergadering van de gemeente Horst aan de Maas. Ik hoorde verantwoordelijk wethouder Han Geurts (CDA) over de ruïne zeggen (klik hier en ga naar 1.51.15 minuten): ‘De provincie kijkt niet naar wat voor extra leven er is gebracht. Ik vind het belangrijk dat de geschiedenis wordt verteld. Daarvoor heb je een ruïne nodig die gebruikt kan worden. Het is belangrijk om je erfgoed te gebruiken om het verhaal te vertellen waar we als gemeente vanaf komen. Dat is ook de functie van erfgoed. Als het puur gaat om het behoud van de stenen gaat het heel veel geld kosten en levert het weinig op. Dus laten we het vooral inzetten om meerwaarde te creëren voor onze inwoners.’


V
Ik werd moedeloos van de woorden van de wethouder. ‘Geld’, ‘meerwaarde’, ‘erfgoed gebruiken’, ‘extra leven’, ‘behoud van de stenen levert weinig op’: de totale ontkenning dat iets ook een intrinsieke waarde kan hebben. Is het dan soms niet ‘belangrijk dat de geschiedenis wordt verteld’? Jazeker wel! Maar daarvoor hoeft de geschiedenis toch geen geweld te worden aangedaan?  


VI
Ik besefte dat het niet eerlijk is de huidige wethouder alleenverantwoordelijk te maken voor de kermis die is ontstaan. Hij staat in een lange lijn van Horster bestuurders die de kermis hebben opgetuigd en aangekleed.


VII
Ik vroeg me af of de ruïne nog wel een ruïne valt te noemen na alles dat er de afgelopen twintig jaar aan is gebeurd. Ik kwam tot de conclusie dat dat niet het geval is. Een kasteel dan? Ook niet. Wat dan wel? Een aanzet tot een namaakkasteel. 


VIII
Ik las bovenstaande citaten uit het verslag van de studiedag in 1995 nóg een keer:
- ruïne laten liggen en afblijven: niet gebeurd;
- problemen ontstaan pas als een ruïne wordt opgegraven: gebeurd;
- restauratie leidt tot ad hoc-beleid: gebeurd;
- restauratie leidt tot een onbevredigend compromis voor alle partijen: gebeurd.


IX
Ik bladerde nogmaals door datzelfde verslag van diezelfde studiedag en zag ergens staan: ‘Hoe minder authentiek de ruïne, hoe meer er mee gedaan kan worden.’


X
Ik vroeg me af of dat misschien wel de achterliggende bedoeling is geweest de afgelopen twintig jaar: de ruïne steeds minder authentiek maken zodat er steeds meer mee gedaan kon worden.

maandag 18 april 2022

Intermezzo – Kasteelruïne

Ouder worden heeft nadelen. Maar ouder worden heeft ook voordelen. Zo heb ik het geluk dat ik me nog uit mijn jeugd herinner hoe het eeuwenoude kasteel Huis ter Horst erbij lag in de jaren zeventig en tachtig van de vorige eeuw. Namelijk als een fantastische ruïne.


Ik zie het nog zo voor me: een restant van een toren waarop een boom groeide en voor de rest wat afgebrokkelde muren, wilde begroeiing en vooral veel hoge bomen, ik vermoed populieren. Een idylle, het meest romantische plekje van Horst. Ontoegankelijk voor publiek, wat het voor opgeschoten jongeren natuurlijk tot een uitdaging maakte om toch toegang te krijgen.


In Engeland zouden ze een moord doen voor zo’n ruïne. Hier, in Horst, was het niet goed genoeg. Het kasteel moest in oude glorie worden hersteld. Hoe en waarom precies bleef onduidelijk. Deskundigen waarschuwden: bewaak de grens tussen gebruik en misbruik van de restanten van het kasteel, doe alleen het hoogst noodzakelijke en blijf verder zoveel mogelijk met je tengels van die ruïne af. En wat gebeurde? Precies het tegendeel: de grens tussen gebruik en misbruik werd grotelijks overschreden, er werden voornamelijk niet-noodzakelijke dingen gedaan en Jan en alleman zat met z’n tengels aan de ruïne.


De fantastische ruïne uit mijn jeugd heeft plaatsgemaakt voor een bespottelijk allegaartje, een kermis, ik kan het niet anders zeggen. Romantiek is er ver te zoeken. Historie heeft moeten wijken voor folklore. Karakter is verworden tot slappe hap. Functioneel moest het allemaal worden, een toeristische attractie die Horst op de kaart zou zetten. De inkt van het ene onhaalbare plan was nog niet opgedroogd of het volgende luchtkasteel werd alweer gebouwd. Aan enthousiaste vrijwilligers geen gebrek, aan visie en kundige bestuurders des te meer.


En nu zitten we met de gebakken peren. De Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed liet enkele jaren geleden al doorschemeren dat de ruïne haar status als Rijksmonument wel eens zou kunnen verliezen; archeoloog Xavier van Dijk heeft al enkele malen alarm geslagen; de Erfgoedwet is overtreden en de provincie Limburg heeft de gemeente Horst aan de Maas onder toezicht geplaatst als het gaat om de ruïne.  


In De Limburger beklaagde bestuurslid Jos Jenniskens van stichting Kasteel Huys ter Horst zich afgelopen week over alle kritiek: ‘Onze vrijwilligers werken zich uit de naad. Het wordt tijd dat ze een schouderklopje krijgen, in plaats van dat er steeds wordt geroepen dat er dingen fout gaan.’ Jos heeft het volste gelijk: inderdaad verdienen die vrijwilligers een schouderklopje voor al het werk dat ze doen. Wat Jos alleen vergeet te zeggen is dat de bestuurders, de mensen die het voor het zeggen hebben, een schop onder hun kont verdienen omdat ze de vrijwilligers opzadel(d)en met de verkeerde opdrachten. 


In hetzelfde artikel in De Limburger komt ook Han Geurts, wethouder van monumentenzorg en cultureel erfgoed, aan het woord. Hij geeft de provincie van onderuit de zak. Over het verwijt van de provincie dat de gemeente niet heeft ingegrepen toen er historisch waardevolle muren werden gesloopt zegt Han: ‘De provincie ziet dit te zwart-wit. Ze reageren enkel op klachten, maar zien niet hoe mooi vrijwilligers het kasteel in twintig jaar tijd hebben gemaakt. Het was een ruïne. Nu is het de populairste trouwlocatie van Horst aan de Maas. De geschiedenis van Horst wordt er verteld. Dat vind ik belangrijker dan een stapel stenen.’


Han betitelt historisch waardevolle muren, belangrijk cultureel erfgoed, als ‘een stapel stenen’. Wat feitelijk juist is. Zoals De Nachtwacht feitelijk ook een zooitje verfklodders is. En de Negende van Beethoven feitelijk een hoeveelheid noten is. En de Bijbel feitelijk een opeenstapeling van papier is. En de Atlantische Oceaan feitelijk een verzameling waterdruppels is. En wethouders feitelijk soms ook de weg kwijt kunnen zijn. Of zie ik het nu te zwart-wit?

Bron van de twee eerste foto’s: Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, Amersfoort / Documentnummers 302.816 en 302.818

donderdag 14 april 2022

Intermezzo – Wandelmijmeringen

De zondag doet zijn naam eer aan. Ik maak een wandeling. Ik loop langs de Kabroeksebeek. Een koppel eenden vliegt op. Honderd meter verderop strijken de eenden weer neer in de beek. Ik loop verder langs de beek. Als ik de eenden tot op enkele meters ben genaderd, vliegen ze opnieuw op. Weer strijken ze honderd meter verderop neer in de beek. Enzovoort. Ik heb te doen met de eenden. Ik gun de eenden de tegenwoordigheid van geest om weg te vliegen tegen mijn looprichting in. Het zou hen een hoop gedoe besparen. Zou ik die tegenwoordigheid van geest wél hebben als ik een eend zou zijn? Uitgesloten.


Moet ik de eenden niet langer opjagen en me omdraaien? Is dat niet net iets teveel eer voor de eenden? Of kun je eenden niet genoeg eer bewijzen? Of breng ik onrust in andere eendenlevens door me om te draaien? Ik kies voor een pragmatische oplossing: ik laat de beek links liggen. Ik loop nu langs een verharde weg, richting America. Koppeltjes mensen op de fiets passeren me. Allemaal koppeltjes op leeftijd. Zoals altijd vraag ik me af waarom mensen van boven de pensioengerechtigde leeftijd uitgerekend – en waarschijnlijk ook uitsluitend – op zondagmiddag gaan fietsen. Een van generatie op generatie ingesleten patroon? Dwangmatig fietsen op zondagmiddag? Zoiets. Zou ik, als ik de pensioengerechtigde leeftijd ben gepasseerd, ook uitgerekend en uitsluitend op zondagmiddag gaan fietsen? Uitgesloten.  


In de verte lonkt America. Ik loop voorbij een setje van drie verkeersborden boven elkaar. Het middelste bord is rond. Het verbiedt gemotoriseerd verkeer om door te rijden. Het onderste bord is rechthoekig. Het zegt dat tractoren zijn uitgezonderd van het verbod voor gemotoriseerd verkeer om door te rijden. Het bovenste bord is driehoekig. Het waarschuwt gemotoriseerd verkeer voor een verkeerspaal. Maakt het middelste bord het bovenste bord niet overbodig? Zou er op de hele wereld ook maar iemand zijn die zich hetzelfde afvraagt? Uitgesloten. 


‘Pas op wegblokkade!’, waarschuwt een fluorescerend geel bord enkele honderden meters verderop. ‘Roadblock’, zingt het rond in mijn hoofd. Mijn gedachten dwalen af naar Oekraïne. Ik vraag me af of Oekraïne op het moment een aaneenschakeling van roadblocks is. Mijn gedachten dwalen af naar het Russische leger. Zou een Russische tank zich laten weerhouden door dit Noord-Limburgse roadblock, met America binnen handbereik? Uitgesloten.


Ik besluit terug te lopen. Zal ik de omweg door het bos nemen? Of toch maar de kortere route langs de beek? Uitgesloten.

Dit stukje verscheen gisteren ook in Via Horst-Venray.

vrijdag 8 april 2022

Intermezzo – Aldi (3)

Je raakt ergens in verzeild en vervolgens kom je er niet meer van los. Dat is nu bij mij het geval met het Aldi-pand aan de Loevestraat in Horst. ‘Misschien toch eens keer het gemeentearchief induiken en proberen meer te achterhalen over de bouwgeschiedenis’, schreef ik dinsdag (klik hier). Het hele fijne was dat ik dankzij de medewerking van de archiefambtenaren Martien Peters en Gert Pieter van Motman gistermorgen al terecht kon op het gemeentehuis. En daar prachtige blauwdrukken van uit 1923 daterende bouwtekeningen van de zuivelfabriek aantrof.




De voorgevel (de zijde waar zich tot vorige week de ingang van Aldi bevond) en de linker zijgevel hebben de tand des tijds ten minste nog een klein beetje doorstaan.


De achtergevel en de rechterzijgevel (de gevel aan de Loevestraat) zijn onherkenbaar in vergelijking met de bouwtekening. Je moet denk ook van goeden huize komen om nog iets van de oorspronkelijke interieurindeling – van laboratorium tot boterpakkerij, van kolenbergplaats tot melkontvangst en van karn- en centrifugelokaal tot overdekte spoelplaats – te kunnen herkennen.

Architect van de zuivelfabriek was C.G. Engelfriet.


Engelfriet was destijds de huisarchitect van de Algemeene Nederlandsche Zuivelbond FNZ. Hij heeft meerdere zuivelfabrieken op zijn naam staan. De FNZ was in 1900 ontstaan als federatie van regionale bonden van plaatselijke coöperatieve zuivelfabrieken. De federatie opereerde vanuit drie kantoren. Het secretariaat was gevestigd in Den Haag, de technische dienst (waar Engelfriet onder viel) in Utrecht en de Centrale Aankoop in Arnhem. Op YouTube staat een prachtige film uit 1931 over de toenmalige melkbewerking en over het functioneren van de FNZ. De film bevat beelden van een Gelderse zuivelfabriek waarvan de architectuur sterke overeenkomsten vertoont met die van de Horster zuivelfabriek. Bekijk ‘m hier:

Nieuw voor mij en wat ik pas op het gemeentehuis ontdekte, is dat zich op het terrein van de zuivelfabriek ook een directeurswoning heeft bevonden, eveneens ontworpen door Engelfriet. Die woning moet in elk geval tot in de jaren zestig hebben bestaan.


Zoals eerder geschreven (klik hier) vond de officiële opening van de Coöperatieve Stoomzuivelfabriek St. Lambertus plaats op 12 juni 1924. Vier dagen later werd begonnen met de verkoop van zuivelproducten:


Het eerste jaar verliep meteen succesvol, berichtte de Nieuwe Venlosche Courant op 24 februari 1925: ‘De nieuwe melkfabriek blijkt schitterende resultaten op te leveren.’ Dat maakte een winstuitkering van vijf gulden per koe mogelijk voor de bij de coöperatie aangesloten veehouders.


Ten slotte: over het ophalen van de melk bij de veehouders schreef Geschiedenis Melderslo in 2018 in een nieuwsbrief (klik hier):
‘De melk werd iedere dag met paard en wagen bij plaatselijke boeren in melkbussen opgehaald. Vervolgens werden de bussen naar de fabriek in Horst gereden, daar geleegd en het aantal liters genoteerd. Nog dezelfde dag werden de bussen weer bij de boeren ingeleverd, zodat deze de volgende dag weer met verse melk gevuld konden worden. Op iedere melkbus was een uniek nummer aangebracht, zodoende kwamen de lege melkbussen altijd weer op de juiste leveradressen terug.’
Hierna misschien nog een aflevering over de geschiedenis van het Aldi-pand. Zijn er lezers met herinneringen aan de tijd dat de zuivelfabriek erin was gevestigd of de tijd daarna toen respectievelijk de Hocon en garage Janssen er hun intrek in hadden genomen? Mail dan svp naar horstsweethorst@gmail.com 

dinsdag 5 april 2022

Intermezzo – Aldi (2)

‘Nou, oké dan, vijf minuten!’


Vandaag, zo was het plan, zou ik een ultieme poging doen om foto’s te maken van het Aldi-pand aan de Loevestraat. Nu het nog kan, want zoals zondag geschreven (klik hier) wordt het binnenkort gesloopt. Vanochtend ga ik maar eens poolshoogte nemen. Hekwerken omringen inmiddels een groot deel van het perceel. De parkeerplaats is gelukkig nog toegankelijk. Maar, zul je altijd zien: de achterkant van het gebouw, de meest ongeschonden zijde, wordt geblokkeerd door een grote Aldi-vrachtwagen. Aan foto’s maken valt niet te denken.


Vanmiddag onderneem ik een tweede poging. Blijkt die vrachtwagen er godverdegodver nog steeds te staan. Opnieuw afdruipen? Of toch proberen met iemand in gesprek te komen? Dat laatste dan maar. ‘Mag ik misschien foto’s maken van het gebouw’, vraag ik de vrachtwagenchauffeur. ‘Van mij mag het, ik heb er geen enkel bezwaar tegen, maar ik ga er helaas niet over.’ Hij beaamt dat het gebouw beslist opmerkelijke aspecten heeft en leidt me naar twee bouwmannen. Die lijken niet erg onder de indruk van mijn verhaal (‘Bijna honderd jaar oud’, ‘Bijzondere architectuur’, ‘Laatste kans’) maar stemmen uiteindelijk toch in: ‘Nou, oké dan, vijf minuten! Daarna gaat het hek dicht!’


Binnen valt weinig eer te behalen. Buiten meer. Zeker als blijkt dat de vrachtwagen gaat vertrekken. Ineens zit alles mee.


Vijf minuten worden zeven, acht minuten, de bouwmannen zijn bij nader inzien toch de beroerdsten niet. Ik probeer er nog uit te halen wat erin zit.


Opnieuw raak ik onder de indruk van het allegaartje dat het gebouw in de loop van zijn bijna honderdjarig bestaan is geworden. Misschien toch eens keer het gemeentearchief induiken en proberen meer te achterhalen over de bouwgeschiedenis.


Overigens: zowel Bas Vermeeren als Jan Janssen attendeerden me erop dat mijn verhaal van zondag niet helemaal volledig en ook niet helemaal juist was. Waarvoor dank! Bas: ‘Als ik me niet vergis heeft er ook nog een bedrijf gezeten waar verwarmingsketels voor de tuinbouw werden gemaakt. Verder heeft de firma thermo tanktransport TTT Janssen er het onderhoud van haar vrachtwagens gedaan.’


Jan Janssen bevestigt wat Bas zegt over het bedrijf dat verwarmingsketels voor de tuinbouw maakte en weet bovendien de naam. Daarnaast schrijft hij – en ik heb geen reden daaraan te twijfelen – dat de melkfabriek niet in 1961 zijn activiteiten beëindigde, zoals ik beweerde, maar al eerder: ‘De fabriek sloot al eerder. Uit mijn hoofd: 1956. Daarna bood het pand een tijdlang onderdak aan HOCON. De sluiting hing samen met opkomst van de tuinbouw in Horst en met het streven de verwerking van melk op minder plaatsen te concentreren.’

zondag 3 april 2022

Intermezzo – Aldi (1)

Gisteravond om zes uur sloot het Horster filiaal van supermarkt Aldi aan de Loevestraat definitief zijn deuren. Het huidige pand maakt plaats voor een nieuwe Aldi. Met de sloop gaat een markant Horster gebouw verloren. Veel schoonheid valt er helaas al enkele decennia niet meer aan af te zien. Ooit was dat anders en moet het Horstenaren met trots hebben vervuld.


Zijn eeuwfeest gaat het pand net niet halen: het werd op 12 juni 1924 geopend als Coöperatieve Stoomzuivelfabriek St. Lambertus. ‘Deze stoomzuivelfabriek is een prachtig gebouw en voorzien van de nieuwste machines, waarom het de moeite waard is een kijkje te gaan nemen’,  aldus de Nieuwe Venlosche Courant kort voor de opening.


De zuivelfabriek behield tot 1961 zijn oorspronkelijke functie. Daarna nam garage Janssen zijn intrek in het pand.


Vervolgens kwam in 1984 Aldi om de hoek kijken. In juni van dat jaar vestigde de supermarkt zich zonder vooraankondiging in de voormalige garage. Dit tot groot ongenoegen van de gemeente Horst. Volgens het gemeentebestuur druiste de vestiging van de Aldi in tegen het bestemmingsplan en de bouwverordening. Wethouder Toon Janssen (CDA) verklaarde tegenover het Dagblad voor Noord-Limburg: ‘Eerder heeft de voormalige eigenaar geïnformeerd wat voor een bedrijf in die garageruimte mocht komen. Toen is de naam van Aldi gevallen. Wij hebben toen “nee” gezegd. Tot onze verbazing is die supermarkt er toch gekomen.’


De gemeente eiste dat de supermarkt binnen dertig dagen zou opkrassen. Aldi vroeg bij de Raad van State onmiddellijk om schorsing van deze maatregel. Woordvoerder Simons: ‘We wachten wel af wat de Raad van State zegt en wat de gemeente verder doet. We hebben niets overtreden. Er is niets verbouwd. We hebben de ruimte helemaal in tact gelaten en niets is veranderd. Alleen is de ruimte opgeknapt en schoongemaakt.’


Simons erkende wel dat de winkel niet erg luxueus was ingericht: ‘Ten aanzien van de presentatie van onze produkten hebben we enkele concessies moeten doen. Dit betekent, dat de inventaris nog aangepast moet worden.’ Cynici zullen zich ongetwijfeld afvragen of dit laatste ooit is gebeurd. Feit is wel dat Aldi het pand sinds 1984 nooit meer heeft verlaten, ondanks de bedenkingen van de gemeente.


Terug naar de schoonheid van het pand. ‘Die is er niet’, ben je geneigd te denken. De gevels aan de Loevestraat en de Mathieu Starrenstraat kun je inderdaad nauwelijks bestempelen als architectonische pareltjes.


Maar onderwerp je de zijgevel aan de parkeerplaatskant en vooral ook de achtergevel aan een nadere beschouwing, dan kun je je er toch iets bij voorstellen dat de Nieuwe Venlosche Courant in 1924 repte van ‘een prachtig gebouw’. Zeker als het je lukt alle lelijkheid weg te denken waarvan ook die gevels in de loop der tijden zijn voorzien. Zo mag het siermetselwerk er op bepaalde plekken best zijn.


Ook de horizontale geleding moet ooit onderscheidend zijn geweest. En zo zal er ongetwijfeld meer zijn. Te weinig helaas voor behoud, genoeg om stiekem een traantje te laten.


(Ik kan mezelf wel voor m’n kop slaan dat ik in- en exterieur van het pand een van de voorbije dagen niet nog eens wat beter heb bekeken. Vandaag bleek dat al onmogelijk. Of dat de komende dagen nog verandert? De ontoegankelijkheid van Aldi in al zijn geledingen kennend, heb ik daar weinig vertrouwen in.) 

vrijdag 1 april 2022

Intermezzo – Vluchtelingenopvang (4)

Wat ook wel eens wordt vergeten is dat oorlog, geweld en vluchtelingen van alle tijden zijn. Nederland breekt zich nu het hoofd hoe het Oekraïense vluchtelingen moet onderbrengen. Niemand weet hoeveel het er uiteindelijk zullen worden. Tienduizenden waarschijnlijk, mogelijk enkele honderdduizenden. Fikse aantallen. Toch zinken ze in het niet bij het enorme aantal Belgen dat tijdens de Eerste Wereldoorlog onderdak kreeg in Nederland: ruim een miljoen. En dat op een bevolking van destijds slechts 6,5 miljoen.

Ook in Noord-Limburg werden destijds duizenden Belgische vluchtelingen opgevangen. In Horst arriveerden de eerste gezinnen, afkomstig uit de omgeving van Luik, op 20 september 1914, ruim een maand na de Duitse inval in België. Vanaf begin 1915 vonden ook enkele honderden Belgische kinderen onderdak in Horst en andere dorpen in de buurt, onder meer in Grubbenvorst, Meerlo en Sevenum. Zij waren veelal afkomstig uit het zwaar getroffen Dendermonde en omgeving. De Nieuwe Venlosche Courant schreef over Dendermonde:

‘Van de 1400 huizen liggen 1800 in puin en de bevolking huist in schuren, stallen en loodsen, welke onvoldoende beschutten tegen de ruwe elementen der natuur. Noode staan de verarmde ouders hun kleinen af, doch gebrek aan huisvesting en voeding nopen hen.’
Een hulpverlener verklaarde tegenover De Voorhoede over de omstandigheden waaronder de kinderen in Dendermonde hadden geleefd:
‘We hebben daar kinderen aangetroffen, die sinds maanden als hoofdmaaltijd gekookte aardappelschillen kregen en ook kinderen die in geen drie dagen warm eten hadden genoten.’

De kinderen – later zouden er nog meer volgen – vonden voor het merendeel onderdak bij particulieren. Enkelen verbleven in het Sint-Antoniusgesticht (‘’t Gasthoês’), op kosten van Horstenaren die thuis niet de mogelijkheid hadden hen goed te verzorgen.

Wat opvalt als je de krantenberichten uit die tijd terugleest, is de vanzelfsprekendheid waarmee de Belgische oorlogsvluchtelingen hier werden opgevangen. Werd het gezien als burger- en/of christenplicht om mensen in nood in je gemeente, dorp of gezin onderdak te bieden? Ongetwijfeld speelde mee dat België een buurland was en dat er sprake was van een gedeelde taal en een gedeeld geloof. En je openlijk uitspreken tegen het wereldlijk of kerkelijk gezag was destijds nog vrij ongebruikelijk en soms zelfs onverstandig. Wat de vraag oproept of er inderdaad nauwelijks gemor en geweeklaag was. Of was het er wel maar bleef het beperkt tot de straat en het café en drong het niet door tot de krantenkolommen?

Soms zou je willen dat je een eeuw geleden leefde en je oor te luister kon leggen op het Wilhelminaplein of in de Herstraat.

Dit is een op Horst toegespitste versie van een stukje dat woensdag verscheen in Via Horst-Venray. Een dezer dagen meer over de opvang van Belgische vluchtelingen in Horst. Mail naar horstsweethorst@gmail.com als u over informatie beschikt over Belgische vluchtelingen die tijdens de Eerste Wereldoorlog in Horst verbleven.