donderdag 7 november 2019

Intermezzo – Zorgen en verzorgd worden

‘Nalatigheid in onderhoud is een algemene trend.’ Gisteren genoteerd op een razend interessante bijeenkomst in Arnhem over kunst in de openbare ruimte. De uitspraak deed me natuurlijk meteen denken aan het trieste lot van Zorgen en verzorgd worden.


Dit kunstwerk van Piet Hermans stond vanaf 1988 dertig jaar lang voor Berkele Heem aan de Dr. Van de Meerendonkstraat in Horst. Na de renovatie van het verzorgingshuis was het ineens verdwenen. ‘Uit elkaar gevallen en kapotgegaan’, want ‘het beeld was in slechte conditie’, zo leerde navraag van Roel Sanders bij de gemeente vorige week (klik hier). ‘Uiteindelijk waren de financiën het struikelblok en bleek renovatie niet haalbaar.’ Vreemd allemaal, héél vreemd. Zomaar wat vragen die bij me opkwamen: heeft de gemeente dan geen zorgplicht voor haar kunstwerken in de openbare ruimte? Waarom is geen onderhoud gepleegd? Hoe hoog waren de renovatiekosten dan wel niet? Zorgen en verzorgd worden – voor Zorgen en verzorgd worden gold het blijkbaar niet.


De bijeenkomst in Arnhem had nog wel meer te bieden dat ook op Horst aan de Maas betrekking heeft. Bijvoorbeeld de vraag waarom kunstenaars zich hun heerschappij op rotondes hebben laten afpakken door hoveniers. En is dat erg? Of moeten kunstenaars zich rotondes opnieuw toe-eigenen, ook in Horst aan de Maas?


Een andere vraag die ook speelt bij de discussie over het (Neeje) Hôrster Hundje: moet visie voorop staan (top down-benadering) of democratie (bottom up-benadering)? Hoe moet je ‘de mensen’ überhaupt warm zien te krijgen voor iets dat nog niet bestaat (‘Kunst die er nog niet is, is de meest kwetsbare kunst’, hoorde ik in dit verband iemand zeggen)? En wat houdt goed opdrachtgeverschap eigenlijk in? Hoe voorkom je bijvoorbeeld dat de kunstenaar door een teveel aan inspraak wordt beknot in zijn vrijheid? Of moeten kunstenaars zich juist veel dienstbaarder opstellen?


Definitieve antwoorden op deze en andere vragen kwamen er niet, zijn er misschien ook wel niet. De meningen liepen in sommige gevallen ook nogal uiteen. Maar hoe uiteenlopend ook, al die meningen waren wél gestoeld op een visie. En die visie, of zelfs maar het begin daarvan, was wat ik laatst zo node miste tijdens de presentatie van de eerste contouren van het nieuwe gemeentelijk kunst- en cultuurbeleid (klik hier en ga naar 54.00 minuten). Ik zou de gemeente Horst aan de Maas echt een paar van de mensen gunnen die gistermiddag aan het woord kwamen. Misschien is het nog niet te laat?

vrijdag 1 november 2019

Intermezzo – Ashorst

Enkele jaren geleden was ik een tijdje postbezorger. Mijn route was zo’n beetje het buitengebied van Horst-noord ten westen van de A73. Molengatweg, Molenveldweg, Veld-Oostenrijk, Venrayseweg, die omgeving zo’n beetje. Mooi werk, heerlijk in de buitenlucht. Het enige wat me eraan tegenstond was de bijna dagelijkse stank, bij westenwind (meestal dus) op de Venrayseweg, bij oostenwind (minder vaak) op Veld-Oostenrijk. Hoe vaak heb ik me niet gelukkig geprezen dat ik elders woon?


Bron van de stank was Ashorst, een groot varkensbedrijf aan Veld-Oostenrijk met een nog grotere mestverwerkingsinstallatie. Ashorst is sinds jaar en dag een hoofdpijndossier, letterlijk en figuurlijk. Het bedrijf stoot stelselmatig aanzienlijk meer kwalijke geuren uit dan toegestaan, met gezondheidsklachten bij de omwonenden tot gevolg. De provincie, bevoegd gezag in dezen, weigert vervolgens om handhavend op te treden en probeert legaal te maken wat illegaal is. De gemeente zegt steeds machteloos te staan. Intussen gebeurt er niets en zijn de buurtbewoners en de leefbaarheid ter plekke het slachtoffer.


Afgelopen dinsdag tijdens de gemeenteraadsvergadering deden de buurtbewoners bij monde van Mirjam Cuppen voor de zoveelste keer hun beklag over de situatie bij deze ‘stinkende geldmachine’ (klik hier en ga naar 23.00 minuten). Ook ditmaal speelde wethouder Vostermans het balletje vakkundig door naar de provincie. Tot ergernis van D66+GroenLinks, Essentie, PvdA en SP. Terwijl de oplossing toch vrij eenvoudig is, aldus Thijs Lenssen (D66+GroenLinks):
‘Volgens mij is de oplossing heel eenvoudig: dat bedrijf houdt zich aan de richtlijnen. Dat houdt in: in de omgeving is maximaal 14 odeur aanwezig. Wordt dat overschreden dan gaat het bedrijf dicht. Daarmee kiezen we een benadering die ook bij andere bedrijven gehanteerd wordt. Als er een overschrijding is van afspraken die we in Nederland gemaakt hebben, dan gaat de tent dicht tot nader order. Als het bedrijf meer produceert, dan gaat het zich maar aanpassen totdat het onder de 14 odeur zit. Volgens mij zou het een goede zaak zijn als het college van burgemeester en wethouders met de provincie in gesprek gaat om dit te realiseren.’
Even eenvoudig als briljant. De afgemeten reactie van wethouder Vostermans: ‘Op het moment dat daar wettelijke mogelijkheden toe zijn, moeten we dat zo snel mogelijk inreguleren in de visies die we hebben.’ Vrij vertaald: ‘Thijs jongen, wat ben je toch weer naïef, je wéét toch dat er geen wettelijke mogelijkheden zijn om dit bedrijf dat zich niet aan de wet houdt, aan de wet te houden?’


Soms begrijp ik de wereld niet meer.  

zaterdag 19 oktober 2019

Intermezzo – Pools stembureau (2)

Meterik ineens een links bolwerk? Nee, dat is overdreven. Maar dat de sociaaldemocraten in dit conservatieve kerkdorp anno 2019 twintig procent van de stemmen halen, is toch wel hoogst opmerkelijk te noemen. Afgelopen zondag gebeurde het. Aan de orde waren de Poolse parlementsverkiezingen. Net als bij de Europese verkiezingen in mei (klik hier) was in Meterik weer een stembureau ingericht. Dat de parkeerborden zondag nog verwezen naar dat Europese verkiezingsstembureau van mei


kon de pret niet drukken: liefst 1840 Poolse stemgerechtigden vonden hun weg naar het stembureau in zaal De Meulewiek. Ja, in Den Haag, Amsterdam en Breda was het drukker, maar Groningen, de vijfde Nederlandse plaats met een Pools stembureau, liet Meterik toch maar mooi ver achter zich.


De Poolse parlementsverkiezingen draaiden zoals verwacht uit op een overwinning van PiS. Met 43,6 procent van de stemmen behaalde de uiterst conservatieve regeringspartij in het Poolse equivalent van de Tweede Kamer een absolute meerderheid (hoe krom dat ook mag klinken). De liberale en pro-Europese Burgercoalitie bleef steken op 27,4 procent. De linkse, sociaaldemocratische coalitie behaalde 12,6 procent; het extreemrechtse KWiN 6,8 procent.


Hoe anders was de uitslag in Nederland. PiS haalde hier slechts een uiterst magere 14,9 procent. De Burgercoalitie (37,5) en de linkse coalitie (26,9) waren in Nederland met afstand de grootsten. Ook KWiN scoorde hier met 16,7 procent aanmerkelijk beter dan in Polen zelf.


Meterik hing een beetje tussen Polen en Nederland in: 20 procent voor zowel PiS als de linkse coalitie en 31,3 procent voor de Burgercoalitie. Afwijkend van dit patroon is de 24,4 procent voor ultrarechts. In Meterik stemden ook ver buiten Meterik woonachtige Polen. Toch ben je geneigd te denken dat de hoge score van extreemrechts wel eens verband zou kunnen houden met het feit dat de pastoor van de Poolse parochie in Meterik vanaf de preekstoel geen geheim maakt van zijn voorliefde voor de anti-Europese nationalisten.


Kleine pleister op de wonde van niet-(extreem)rechts Polen was trouwens dat PiS in de senaat geen absolute meerderheid wist te behalen, waardoor gelukkig de kans bestaat dat er zo nu en dan een rem gezet kan worden op de bedenkelijke hervormingen die PiS sinds vier jaar doorvoert.

vrijdag 18 oktober 2019

Intermezzo – Installaties Eric van Grootel

Naar verwachting slecht weer komend weekend. Ideale omstandigheden dus om een bezoekje te brengen aan de expositie van installaties van Eric van Grootel in Oirlo. Eric van Grootel? Is dat niet de eigenaar van een dierenwinkel aan de Hoofdstraat in Horst? Klopt. Maar Eric van Grootel is meer dan alleen dieren. Hij maakt sinds enkele jaren ook intrigerende installaties. In P.ART.S, de galerie van Piet Siebers, treedt hij er nu voor het eerst mee naar buiten.


Op het eerste gezicht lijken het wel (huishoudelijke) apparaten en machines die al dan niet zijn ontdaan van hun omhulsel. Op het tweede gezicht vraag je je af waar die objecten dan voor zouden moeten dienen. Dit mag dan bijvoorbeeld wel iets weg hebben van een waterkoker, maar is het dat ook? Nee, dit is geen waterkoker.


Op het derde gezicht (échte slimmeriken mogelijk al op het eerste gezicht) kom je tot de conclusie dat Eric nog-niet-bestaande apparaten en machines fabriceert. Apparaten en machines die niet werken, het niet doen en tegelijkertijd de indruk wekken dat ze het wel zouden kúnnen doen. Hij maakt van onderdelen van bestaande apparaten nieuwe apparaten, hij voegt samen. ‘Compilaties’ of ‘cumulaties’ dekt daarom de lading misschien nog wel beter dan ‘installaties’.


Als je aan gefantaseerde, kunstzinnige, niet-functionele machines denkt, denk je eerst en vooral aan Jean Tinguély. Vergelijk je diens werk met dat van Eric, dan zijn het toch de verschillen die overheersen. Voornaamste verschil is dat de machines van Tinguély het overwegend wél doen, er zit wél beweging in, terwijl Eric volstaat met de suggestie. De humor en speelsheid van Tinguély tref je bij Eric minder aan, wat niet wil zeggen dat ze compleet afwezig zijn:


Het werk van Eric is ‘strakker’ dan dat van Tinguély, het lijkt hem in de eerste plaats om de compositie te gaan. Ook het kleurgebruik maakt een zeer weloverwogen indruk. Wat ik eigenlijk maar wil zeggen: het werk van Eric heeft karakter, een volstrekt eigen karakter.


De expositie van het werk van Eric, aangevuld met houten sculpturen van Piet Siebers, is alleen morgen en overmorgen en volgend weekend nog te zien, steeds van 12.00 tot 17.00 uur. Adres: Castenrayseweg 19 in Oirlo.

woensdag 16 oktober 2019

Intermezzo – Donker Horst

Nee, hoge verwachtingen had ik er eerlijk gezegd niet van. Ik vermoedde iets in de trant van een als middeleeuwse markt vermomde braderie met loslopende omaatjes met uilenbril en handtas die je aanspreken terwijl je daar niet op zit te wachten. En ja, toch ben ik gegaan, twee keer zelfs, maandag- en dinsdagavond. Om te kunnen oordelen, veroordelen desnoods. En ja, het was heel anders dan ik had verwacht. En ja, het viel me alleszins mee, Donker Horst.


En ja, ik zou kunnen gaan klagen. Over de overmaat aan (blauw) licht op het oud kerkhof en rondom de kerktoren. Over sommige wat al te nadrukkelijk acterende figuranten. Over het vogelgefluit bij de kerk. Over de passieve hoeren. Over de hang naar sensatie (denk aan de vuurspuwer en het schavot). Over het teveel aan figuranten (denk aan de ambachtslieden). Over de volle maan, maandagavond.


Daar staat ook het nodige tegenover. Wat voor mij misschien wel het meest bewonderenswaardige was aan Donker Horst, was het gebrek aan elektrische verlichting. Het meekrijgen van bewoners, winkeliers, elektriciteitsmaatschappij en veiligheidsinstanties moet onnoemelijk veel inspanningen en overredingskracht hebben gekost. Het resultaat was er naar.


De ambulante figuranten (met name de geestelijken en de begrafenisstoet) sprongen er voor mij bovenuit, al besefte ik dat pas na mijn tweede bezoek. Hun onnadrukkelijke aanwezigheid en hun onverstoorbaarheid deden in de meeste gevallen ongekunsteld en bijna natuurlijk aan. Ook de serene sfeer in de Sint-Lambertuskerk zal me bijblijven.


Wat me meer imponeerde dan de donkerte (die viel door de vele vuurschalen en aanverwante artikelen en – op maandag – het maanlicht nogal mee) was de stilte. Die was evenmin absoluut, kan ook helemaal niet en maakte ook niet uit. Het was in elk geval stil genoeg om te voorkomen dat het een kermis werd of de bovengeschetste als middeleeuwse markt vermomde braderie. Evenzeer indrukwekkend: op beide avonden heb ik niemand kunnen betrappen op het tevoorschijn toveren van zijn of haar mobieltje.


Waande ik me tijdens Donker Horst in een andere tijd? Nee, geen moment. Deed dat afbreuk aan mijn ervaring? Nee. Waande ik me op een andere plaats? Nee, geen moment. Deed dat afbreuk aan mijn ervaring? Nee. Of het bijzonder was? Maandagavond vond ik nog van niet. Gisteravond vond ik van wel. Vandaag nog steeds.

zondag 6 oktober 2019

Intermezzo – Jan Holthuis

Gekend? Nee, ik zou niet durven beweren dat ik hem heb gekend. Wel meegemaakt. M’n hele leven lang.

Als mijn huisarts, die me als puber onzeker maakte door m’n voetbalblessures steevast met hun Latijnse naam aan te duiden, in de onjuiste veronderstelling dat ik als gymnasiast dan wel zou begrijpen wat eraan haperde. Als erudiet die het maar moeilijk kon vatten dat mensen, mannen vooral, voor hun plezier achter een bal aanrennen. Als huisarts-in-ruste die eerst m’n zieke vader, met wie hij eerder op gezette tijden lange wandelingen in de Ardennen had gemaakt, en daarna m’n zieke moeder regelmatig kwam bezoeken.


Als selfmade kunsthistoricus met een encyclopedische kennis van alles met betrekking tot kerkelijke kunst en cultuur. Als meesterlijk anekdote-verteller. Als kritisch volger van onze lokale bestuurderen en meer in het bijzonder de representanten van die ene dominante partij (hoewel ik niet helemaal uitsluit dat hij desondanks op die partij stemde). Als onvermoeibaar ijveraar voor en vurig verdediger van architect Alphons Boosten en diens finale meesterwerk, de Sint-Lambertuskerk. Als grootste kenner, duider en bewonderaar van de middeleeuwse heiligenbeelden in diezelfde kerk.


Als tijdgenoot van en bevlogen verteller over voormalig deken Leonard Debye (1897-1975), voor wie hij, denk ik, bewondering en ontzag koesterde, maar die, denk ik, soms ook ongrijpbaar voor hem was. Als meest vooraanstaand beschermheer van kruisen en kapellen in Horst. Als gedesillusioneerd beschermheer van het Gortmolenkruis, de Risseltkapel en vooral de Sint-Annakapel vanwege de aantasting van hun landschappelijke omgeving.


Als niet-aflatend strijder voor behoud van het atrium van de Sint-Lambertuskerk.


Als, nog geen drie weken geleden, rolstoelende voorganger in wat wel een processie leek op de Gastendonkstraat, bij de Risseltkapel.


Vorige week is de reus geveld, 94 jaar oud. Kunnen we niet afspreken dat als eerbetoon het atrium van de Sint-Lambertuskerk voor eeuwig behouden blijft?

donderdag 3 oktober 2019

Ingezonden – Pioniers van het platteland

Horst-sweet-Horst ontving een ingezonden bijdrage van Lotte Spreeuwenberg. Lotte is afkomstig uit Melderslo en is onderzoeker en docent filosofie aan Universiteit Antwerpen. 

Pioniers van het platteland

Deze week protesteerden de boeren tegen het steeds kleiner wordende draagvlak voor voedselproductie in Nederland. In Horst aan de Maas lijkt dat draagvlak nochtans erg groot: afgelopen weekend werd het Nieuw Gemengd Bedrijf geopend (de grootste megastal van het land) en vlak daarvoor werden datzelfde bedrijf en zijn coöperatie genomineerd voor de lokaal prestigieuze ondernemersprijs (met dit jaar het thema ‘mens en dier’). In diezelfde week gaf de commissie Remkes aan dat er minder dieren gehouden moeten worden en legden wereldwijd meer dan zes miljoen mensen voor één dag hun werk neer om klimaatactie op te eisen.


Over de idealen in de regio, een overwegend agrarisch gebied waar trots geboerd wordt, kunnen we positief zijn. Varketing Group wil ‘door samenwerkingsverband maatschappelijk verantwoord vernieuwen’. Uitgangspunt voor NGB is ‘hoe kunnen we het beter doen dan de gangbare intensieve veehouderij’ met aandacht voor ‘zorgvuldige, duurzame, diervriendelijke productie van gezond en veilig voedsel’. Criteria voor het winnen van de ondernemersprijs zijn (zo lezen we op de site) ‘het inspelen op trends zoals gezondheid, dierenwelzijn, energietransitie’ en ‘het op de kaart zetten van Horst aan de Maas’. In Horst aan de Maas willen we pionieren. In Horst aan de Maas willen we in 2025 zelfs de Gezondste Regio te zijn.


De idealen op het platteland doen dus in tegenstelling tot wat vaak wordt beweerd niet onder voor de wereldwijde transitie die gaande is in focussen op een groener en duurzamer beleid. Toch blijft het fors achter in het uitvoeren ervan. Want hoe kunnen we Gezondste Regio rijmen met een rode loper voor elk agrarisch belang? Voor de wetenschap, gezondheidszorg, ethici en andere delen van het land is het overduidelijk dat die twee onverenigbaar zijn. Hoe kan een gemeenschap als Horst aan de Maas achterblijven terwijl de juiste doelen gesteld worden?

Het probleem zit in de vraagstelling. In Horst aan de Maas vragen we ons af: ‘Hoe kunnen we de gezondste regio worden?’ of ‘Hoe kunnen we verduurzamen?’ We vergeten daarbij de vragen die daaraan voorafgaan. Wat ís gezondheid eigenlijk? Gezond voor wie? Wat is duurzaamheid? Wat is de relatie tussen mens, dier en de natuur? En hoe zou die moeten zijn?

Vragen beantwoorden doen we altijd vanuit ons eigen perspectief. Door andere ervaringen heeft iedereen kennis van andere zaken en zullen we dus anders op vragen antwoorden. Daarnaast spelen belangen (bewust en onbewust) ook mee. Op de vraag wat gezond is zal een dokter anders antwoorden dan een veehouder. Het gaat dus om de juiste vragen stellen, maar ook om die zo eerlijk mogelijk te beantwoorden. In een gemeenschap als Horst aan de Maas worden (kijkend naar de afgelopen decennia) de vragen en antwoorden structureel door dezelfde mensen gesteld en bepaald: agrariërs en de politieke partij die het meest met de agrariërs voor heeft. Een groep mensen met dezelfde doelen en wensen. Het gaat er (nu) niet om of die wensen goed of verkeerd zijn, maar een homogene groep stelt onvermijdelijk dezelfde vragen, geeft dezelfde antwoorden en stelt dus ook steeds dezelfde prioriteiten boven andere belangen. Pionieren wordt dan moeilijk – maar niet onmogelijk.


Iedereen groeit op in een systeem waarvan we denken dat dát systeem toevallig precies het juiste is. Door voorbij de grenzen van onze eigen wereld te kijken en onze voorkeuren open te bevragen kunnen we blijven leren en de vooruitgang boeken die we allemaal zo graag willen. Wie opgroeit in een systeem dat prioriteit geeft aan economische belangen (‘the sky is the limit!’), legt die prioriteit automatisch minder bij ecologische waarden. Er kan tenslotte maar één ding tegelijk het belangrijkste zijn. Maar we hoeven niet toe te geven aan wat we gewend zijn. Het ‘eco’ in beide woorden komt van het Griekse ‘oikos’: huis. Hoe willen we zorgen voor ons huis, onze gemeenschap, onze aarde? Geven we prioriteit aan economie of ecologie?

Naast open vragen stellen en eerlijke antwoorden zoeken is nog iets anders noodzakelijk voor vooruitgang: het erkennen van onze prioriteiten. Een megastal kan zo duurzaam mógelijk ingericht worden, maar een duurzame megastal bestaat niet. Een megastal kan ingericht worden dat het zo goed mógelijk bij een gezonde regio past, maar het meest gezond is het natuurlijk niet. Wie het daar niet mee eens is zou zichzelf de open vraag moeten stellen: wat is gezond? En voor wie? Let op: je mag niet je eigen prioriteiten mee laten wegen. (Vervelend spel hè.)


Erkennen van prioriteiten is een stap in de richting van vooruitgang. Diervriendelijk vlees bestaat niet. Vonden we welzijn van de dieren belangrijker dan onze eetwensen, dan lieten we zo'n megastal snel achterwege. Een ‘Doener in Passie’ (lees hier) zou daarnaast ook een ‘Denker over zijn Passies’ mogen zijn. Vinden we Gezondste Regio en een transitie naar een groener en duurzamer Horst aan de Maas het belangrijkst? Dan moeten andere belangen daar automatisch voor wijken. Dat heeft niets met boertje pesten of politieke voorkeur te maken, dat zijn de spelregels van logica.

Wie is er nu verantwoordelijk voor die vooruitgang? Het is inderdaad enorm oneerlijk de last volledig bij het platteland en de boer te leggen. De stedeling kan zijn prioriteiten makkelijker verschuiven: die heeft niet dezelfde belangen. Het is te makkelijk om vanuit de stad te zeggen dat de boer de juiste vragen moet stellen, om vervolgens wel de goedkoopste kip te willen eten. Die prioriteit voor economische belangen bij zowel politiek als burger zorgt ervoor dat de boer al decennia steeds meer moet voor steeds minder. Pionieren begint daarom bij het erkennen dat we in een niet langer houdbaar systeem zitten. Prioriteit voor financiële belangen heeft niet gewerkt: de aarde raakt op, de boer houdt de kop niet boven water, we missen de natuur en we willen verandering. De echte pioniers bevinden zich juist daarom op het platteland: daar moet men meer opgeven om vooruitgang te bewerkstelligen. Boeren is een prachtig beroep, net als ondernemen. Er zijn al mooie voorbeelden van door de lokale consument gestuurde boerenbedrijven waarbij de boer duurzaam en zonder financiële risico’s kan boeren (zie - klik hier - de aflevering ‘Plattelandspioniers’ van Tegenlicht).


Maar ook dichtbij proberen ondernemers de Horstenaar voorbij de grenzen van de eigen wereld te laten kijken. Foodbar Gember bijvoorbeeld (genomineerd voor de jonge ondernemersprijs) laat zien hoe we ook anders kunnen ondernemen, tegen de gebaande paden in: Gember werkt nauw samen met Natuurwijzer (ook al zo’n pionier) om verspilling tegen te gaan en duurzaamheidsenthousiasme bij de klant aan te wakkeren. Overigens een perfect voorbeeld van blind zijn in ons eigen Horster perspectief: Natuurwijzer ontving in 2017 de prijs ‘Ondernemer van het jaar’ van Horst-Centrum onder andere vanwege ‘een innovatief concept’. Ironisch, want Wilmi Thijssen opende de winkel al in 1991. Maar ook positief: haar vooruitziende en gedurfde open blik wordt erkend.


Pionieren lukt alleen als we onze vragen met open blik stellen. Zijn we bereid eerlijke antwoorden te zoeken, die niet alleen vanuit ons eigen perspectief komen? Zoals de organisatie Gezondste Regio zegt: ‘Stilstand is achteruitgang!’ Maar vooruitgang eist bereidheid om onze andere belangen achterwege te laten. Dat is best moeilijk wanneer de initiatiefnemers van je organisatie – Gezondste Regio 2025 – wéér uit diezelfde groep mensen met dezelfde wensen bestaat. Durven we onze eigen opvattingen te bevragen? Durven we de juiste prioriteiten te stellen? En durven we de eerlijkste antwoorden te accepteren? Wie écht vooruitgang wil is nooit klaar met leren. Maar dan moeten we wel willen.

Lotte Spreeuwenberg

woensdag 2 oktober 2019

Intermezzo – Rolpatroon (2)

En dan was er natuurlijk nog de belangwekkende kwestie van de wc-rol. Hang je die op met het papier afrollend aan de muurzijde (achterhangen) of met het papier afrollend aan de potzijde (voorhangen)? In januari 2017 wijdde ik – achterhanger sinds mensenheugenis – er al eens een stukje aan (klik hier) en hield er in Café De Verbeelding zelfs een anonieme schriftelijke enquête over. Ik beloofde destijds ‘de hoogst opzienbarende resultaten’ te publiceren op Horst-sweet-Horst. Maar hoe gaat dat? Andere dringende zaken, andere prioriteiten en toen raakten het rolpatroon en de enquête uit mijn blikveld. En nu zijn ze daar ineens weer terug. Met dank aan een fervente voorhanger, nota bene een voornaamgenoot.


Die enquête dus. Ingevuld door vijftien vrouwen en acht mannen. De mannen: allemaal voorhanger! Bij de vrouwen: twaalf voorhangsters, twee achterhangsters, één die er tussenin hangt: ‘Ik ben beide omdat ik deze keuze niet wil maken.’ Confronterend voor ondergetekende achterhanger.


Gevraagd naar het waarom van hun voorkeur houden sommigen zich op de vlakte. Ze zijn voorhanger omdat ‘het zo moet voor mijn gevoel’, omdat ‘dat zo uitkomt’, omdat ‘het voor mij de juiste hang is’, omdat ‘dit de enige juiste hangwijze is’, omdat ‘mijn leven op orde wordt gehouden door vaste regels, deze is er daar één van’, omdat ‘ik het handiger vind’, omdat ‘daarom’. Eén man is voorhanger ‘uit overtuiging’.


Opmerkelijk is dat zowel voor- als achterhangers het scheurgemak aanvoeren als argument voor hun rolpatroon. Een voorhanger: ‘Het papier hoeft niet van de muur te worden geschraapt.’ Voor één voorhanger speelt ook de afstand een rol: ‘Het is dichterbij.’ Verder is bij voorhangers hygiëne een veelgehoord argument. Een voorhangende man: ‘Als je onverhoeds bij velletje 1 door het papier drukt met je vinger is de kans op vervuiling van de muur kleiner.’ En dan heb je natuurlijk ook nog het veiligheidsargument. Voorhangende man: ‘De muurkant is dermate ruw dat ik vrees heb op lichte verwondingen.’


Drie voorhangsters grepen de enquête aan voor wat meer diepgaande beschouwingen die ik u niet wil onthouden. Een vrouw met schoenmaat 40 en blauwe ogen is voorhangster omdat:
‘Ik degene ben die het papier altijd ophangt. Omdat het de enige juiste wijze van ophangen is! Voor ons huishouden is er dus géén discussie over! Omdat vrouwen (bijna) altijd gelijk hebben! Poep zeer regelmatig > dus ervaren!’
Een blonde Duitse, schoenmaat 39, hangt voor omdat:
‘Het makkelijker te pakken is, makkelijker rolt en mooier uitziet. En überhaupt, wie hangt de rol nu achterstevoren op? We hebben 2 wc’s, maar ik & mijn man hebben de kinderen goed opgevoed: we hangen allemaal voor!’
Ten slotte een vrouw met onbekende schoenmaat. Zij hangt voor omdat:
‘Ik dat zo geleerd heb van zuster Theresita die dit behandelde in de les huishoudelijk beheer op de leraressenopleiding N XIX. Dit staat voor landbouwhuishoudlerares.’

Hoogst opzienbarend toch allemaal? Zó opzienbarend zelfs dat ik er binnenkort nog een keer op terugkom.

maandag 30 september 2019

Intermezzo – Louis van Wezel

Gisteren werden in Horst aan de Maas veertien zogeheten Stolpersteine onthuld. Stolpersteine (‘struikelstenen’) zijn een initiatief van de Duitse kunstenaar Gunter Demnig. Op tal van plaatsen in heel Europa brengt hij sinds 1992 op het trottoir voor voormalige woonhuizen van slachtoffers van de nazi’s kleine tegeltjes aan die herinneren aan de verschrikkingen van de Tweede Wereldoorlog.


Zaterdag installeerde Demnig een van de veertien Stolpersteine in het trottoir voor Spoorstraat 10 in Tienray. Spoorstraat 10 werd in de oorlogsjaren bewoond door Pierre Nabben en zijn echtgenote Toos Meuffels en hun gezin. Vanaf 6 december 1943 verleenden Pierre en Toos onderdak aan Louis van Wezel, geboren op 16 mei 1936 in Amsterdam. Samen met z’n twee jaar oudere broer Dick behoorde Louis tot een groep van ruim honderd joodse kinderen die de Amsterdamsche Studenten Groep in samenwerking met Hanna van de Voort uit Tienray en de bij haar ondergedoken Kampense student Nico Dohmen onderbracht op onderduikadressen in Tienray en omgeving.


Collaborateur Lucien Nahon wist in de zomer van 1944 een aantal adressen te achterhalen waar joden waren ondergedoken. Dit leidde ertoe dat onder leiding van de Bijzondere Dienst der Staatspolitie in Eindhoven in de nacht van 31 juli op 1 augustus een razzia plaatsvond in Tienray. Daarbij werden een 19-jarig joods meisje en drie joodse kinderen gearresteerd, onder wie Louis. Om twee uur ’s nachts vielen de agenten de woning van de familie Nabben binnen. Toos Nabben-Meufels zou na de oorlog verklaren:
‘Toen het jodenkindje alsmede mijn man en broer werden meegenomen vroeg het kindje om zijn klompjes, die het van mij had gekregen. Toen ik het die klompjes mede wilde geven, werd die dikke persoon [rechercheur Stavast] kwaad en zei: “Die heeft dat jong niet nodig.” Ik werd toen ook brutaal en deelde hem mede, dat hij daar niets mee te maken had. Ik bond die klompjes met een band om de arm van het jodenkindje, zodoende heeft hij ze toch nog meegenomen. Die dikke persoon deelde het kind nog mede: “De oorlog is uit, en nu brengen wij je naar je vader en moeder.” Hierop vroeg bedoeld kind aan die persoon of zijn broertje dan ook mee mocht.’

In een overvalwagen werden Louis en de andere arrestanten afgevoerd. Bij de Nieuwe Lind in Horst werd Louis uit de wagen gehaald: hij moest de agenten de weg wijzen naar boerderij De Kolck in Broekhuizenvorst waar zijn broer Dick ondergedoken zat. Na diens arrestatie verbleven Louis en Dick twee dagen in een politiecel in Venlo. Via doorgangskamp Westerbork en concentratiekamp Theresienstadt belandden ze uiteindelijk op 15 oktober 1944 in Auschwitz. Daar werden ze drie dagen later vergast, de 8-jarige Louis en de 10-jarige Dick.


(Met dank aan Véronique Jakobs voor de afbeeldingen. Geraadpleegde bronnen: Ad van Liempt en Jan H. Kompagnie [redactie], Jodenjacht. De onthutsende rol van de Nederlandse politie in de Tweede Wereldoorlog (Amsterdam 2011) 93-97; H.L.J Raaijmakers, Tienray. Meer dan tien huizen en één Lieve Vrouw (Tienray 2002) 25-26; Harrie Raaijmakers, Mooi Tienray; Herman van Rens, Vervolgd in Limburg (Hilversum 2013) 268-270; Joods monument.)

dinsdag 10 september 2019

Intermezzo – Doener in passie

Er was eens een man. Hij woonde in Hegelsom en hij noemde zichzelf ‘Doener in Passie’. De doener in passie bekeek het leven van de zonnige kant. Hij was de belichaming van positivisme. ‘Positiviteit’ noemde hij het op z’n website ook wel. Hij roemde de power van het positivisme: ‘Positieve mensen geven anderen energie en zij creëren omgevingen waarin mooie dingen ontstaan. Positivisme trekt mensen aan en verbindt ze met elkaar. Daarom is positiviteit voor mij belangrijk in de samenleving.’ Wat de doener in passie verstond onder positieve power? ‘Het verspreiden van positieve energie. Zodat mensen zich focussen op wat wél kan, in plaats van op wat niet kan. Denken in mogelijkheden in plaats van beperkingen. Dat is niet alleen positief denken, maar ook samen aanpakken. Kortom, positief zijn, geen gemaar en samen doen. Ik creëer gezamenlijkheid vanuit een open positieve houding.’


De doener in passie had behalve positivisme nog een andere grote liefde: dieren. Hij had zijn positieve hart verpand aan al wat knorde, kakelde, loeide en blaatte. Op zijn Facebookpagina plaatste hij wel eens een positief filmpje van kippen die gezellig met hun duizenden dicht tegen elkaar aan zaten en kakelde er dan positivistisch bij ‘mooiste dier wat er is’. En als de Nederlandse Vakbond Varkenshouders een filmpje postte over het positieve nut van varkens (denk aan spareribs, schouderlapjes, slavinken en fricandeau) dan knorde de doener in passie vanuit zijn open positieve houding: ‘Prachtig realistische promotie van ons Nederlands varken.’


En toen was er op een goede dag ineens een politieke partij die de Nederlandse veestapel wilde halveren. Om al wat knorde, kakelde, loeide en blaatte een nóg beter leven te bezorgen. Het kon nauwelijks positiever. Het leek allemaal naadloos aan te sluiten bij het gedachtegoed van de doener in passie. Maar wat schreef de pleitbezorger van de power van het positivisme op z’n Facebookpagina?
‘Hou het bij de fEiten..... Geef elkaar ook de ruimte om dingen aan te passen, maar om zomaar een economisch belangrijke en innovatie sector op gebied van welzijn en milieu zomaar weg te saneren is absoluut geen oplossing. Ik vind dit zelfs hypocriet. Hier alles wegsaneren en elders met een weg gepoetst geweten het voedsel kopen.....’

‘Hou het bij de feiten’, ‘absoluut geen oplossing’, ‘hypocriet’, ‘weg gepoetst geweten’: waren dit nu woorden van iemand die gezamenlijkheid creëert vanuit een open positieve houding? Was dit nu geen gemaar en samen doen? Was dit nu denken in mogelijkheden in plaats van beperkingen? Was dit nu het verspreiden van positieve energie?

maandag 9 september 2019

Intermezzo – Heinz Arntz (3)

Laatste deel van een korte serie over Heinz Arntz, de man die in 1932 in café Ritt in Horst z’n eigen wereldrecord onafgebroken pianospelen verbeterde en op 124 uur bracht. Zoals gezegd trok de recordpoging landelijke media-aandacht. Helemaal serieus werd Arntz niet genomen, kranten beschouwden het eerder als iets onwerkelijks, een aan waanzin grenzende escapade.


Dat Arntz uitgerekend ‘een doodgewoon café’ in Horst, ‘heerlijkheid van de landelijke stilte’, had uitverkoren voor zijn ‘sottise’ droeg alleen maar bij aan de curiositeit van de onderneming.


Vreemd genoeg lijkt het wereldrecord dat Arntz in Horst vestigde na 1932 in de vergetelheid te zijn geraakt. In maart 1950 kwam hij namelijk in het nieuws omdat hij in de Wintergarten in Duisburg 122 uur onafgebroken op de piano speelde, ondanks ‘Blasen an den Fingern’ en ‘geschwollene Fußgelenke’. Een verbetering met een uur van zijn uit 1931 daterende eigen wereldrecord, zo jubelden de kranten. Geen woord over de 124 uur in café Ritt in 1932! Ook toen Arntz z’n wereldrecord in de loop van de daaropvolgende jaren opschroefde tot achtereenvolgens 224 uur (1952), 423 uur (1955), 550 uur (1957), 806 uur (1960), 1004 uur (1965) en uiteindelijk 1070 (!) uur (1967), kreeg zijn Horster prestatie uit 1932 nergens enige vermelding. Rrrraaarrr. Wat ook raar is, is dat ik de overlijdensdatum van Heinz Arntz nergens kan vinden. Daar tegenover staat dat ik intussen wel een filmpje heb gevonden waarin Arntz actief is tijdens z’n zoveelste recordpoging en waarin – net als in Horst – sigaretten en een kapper opduiken (klik hier).


Ter afsluiting: ook de grote Louis Paul Boon wijdde ooit een stukje aan Arntz, en wel naar aanleiding van het record dat hij in 1957 vestigde. Enkele fragmenten daaruit:
‘Toch kwam de slaap hem overmannen, en heeft hij de hulp ingeroepen van een barmeisje, dat nu dag en nacht naast hem blijft. En niet om de muziekbladen om te keren, doch om in ogenblikken van lichte inzinking zijn slapen met eau de cologne in te wrijven. En als alle inspiratie hem in de steek laat, om hem een flinke por in de lenden of desnoods een schop tegen de schenen te geven.’
‘Heinz speelde maar. En rookte maar. Het zijn bij de 100 sigaretten per dag. En ook drinkt hij dertig flessen mineraalwater per dag. En om hem enigszins te vergoeden voor wat hij de wereld schenkt, brengt het barmeisje slechts het allerfijnste: gebraden kip en ananas.’
‘Journalisten zijn hem komen vragen, wat hij dan daarna ging doen, als hij inderdaad het Wereldrecord pianospelen heeft geklopt. En de meester heeft geantwoord: “Zo ver heb ik nog niet gedacht … Maar in elk geval, piano spelen doe ik nooit meer.” Hoe jammer. Het verlies voor de schone kunsten in het algemeen, en voor het edele pianospelen in het bijzonder, is hierdoor niet te overzien. In elk geval, naast de borstbeelden van Beethoven en Chopin zal nu ook dat van Heinz Arntz komen te staan, de man die 550 uur lang de toetsen wist te bewerken.’
P.S. Heinz wist ook na 1957 van geen ophouden en van dat borstbeeld naast Beethoven en Chopin is het vooralsnog niet gekomen. Misschien iets voor Horst? Laten we zeggen ergens tussen de beelden van het hundje in?

vrijdag 6 september 2019

Ingezonden – Twee Hundjes

(Horst-sweet-Horst ontving de volgende ingezonden bijdrage van Jan Duijf (Kloosterstraat Horst) over – hoe kan het ook anders dezer dagen? – het Hôrster Hundje/de Hôrster Hundjes.)

TWEE HUNDJES

Hier zou ik wellicht mensen met naam en toenaam moeten opvoeren die verantwoordelijk zijn voor het moedwillig beledigen en beschadigen van kwetsbare kunstenaars die hun ‘kindje’ tentoonstellen en die leden van een goedbedoelende werkgroep onder de gordel aanvallen. Onverlaten die genadeloos serieuze ontwerpen af laten breken, of wellicht erger: doelbewust publiekelijk af laten kraken. Ik heb het dan onder meer over het beeld van een 11-jarig jongetje, dat toevallig door zijn kunstzinnige talent een plaatselijke ontwerpwedstrijd voor een beeld wint.  


De behoefte aan het schrijven van een plastische  gedrag- en karakterschets van de vertegenwoordigers van ‘Het hundje môt blieve’ kan ik nauwelijks onderdrukken. Het wassen van hun handen in onschuld, terwijl de stront volop uit de media-kraan spat, zou een uitgebreide verhandeling waard zijn. Ik moet me beheersen.


‘Goede vragen moet een mens zichzelf en anderen stellen, daar wordt men wijzer van’ (Een vrije vertaling van een uitspraak van de Griekse filosoof Socrates):
  • Kunnen we pressiegroepen, die via de sociale media opereren en ageren tegen kunstuitingen, niet faciliteren met een (flink) deel van het geld dat in Horst aan de Maas zinloos naar kunst en cultuur gaat?
  • Worden kunstenaars in Horst aan de Maas voortaan officieel betiteld als niet gewenste of als bedreigde inwoners?
  • Hoe kunnen we kinderen in ons onderwijs ontmoedigen zich met kunst in te laten? Door elke kunstontwerpwedstrijd voor kinderen door liefhebbers van de sociale media te laten beoordelen?
  • Is in onze gemeente de politiebescherming van mensen die kunst van eigen bodem willen bevorderen wel goed geregeld?
  • De betekenis en rol van goed en fatsoenlijk taalgebruik wordt onderschat?
  • Indien u als ouder, op het moment dat uw kind het Oude Hondje, middels het indrukken van een knopje zojuist heeft laten plassen, wordt gevraagd of het hondje weg moet? Zegt u dan voor de televisiecamera niet: ‘Het Hundje môt blieve’?
  • Staan de vertegenwoordigers van ‘Hundje mot blieve’ met eigen middelen garant voor het heel en gaaf blijven/weer worden van het Hundje van Bodhi?
  • Is het een idee om het bestaande hundje te verrijken met een Geel Hesje, zodat een verhalenwedstrijd over de herkomst van het Hôrster Hundje overbodig wordt? Of mag het hondje meerdere kleuren dragen?
  • Hoe kunnen we voorkomen dat onverantwoorde emotionele toestanden ontstaan als het Bodhi-hondje ooit moet worden vervangen?
  • Willen we in Horst aan de Maas wel kunst van eigen bodem?
  • Zullen kinderen straks niet zielsveel van dat parmantige gouden hondje kunnen gaan houden? 

Menige vraag zal bij u als lezer wellicht als aangedikt of absurd overkomen. Gekunsteld is in dit verband het goede, maar o zo risicovolle woord: ik kan er toch niets aan doen dat ik een elitaire en onbetrouwbare klootzak ben? Een HOND.  


Maar ik durf ternauwernood toch nog wel de hamvraag te stellen:

‘Wat zou zijn gebeurd als de liefhebbers van het huidige hondje zich in april, bij de openbare aankondiging van de ontwerpwedstrijd, voor redelijk overleg hadden gemeld bij de werkgroep? Als ze respect hadden getoond voor de finale ontwerpen en de inzet van de werkgroep? Als ze niet midden in de wedstrijd met beschuldigingen en vooroordelen waren binnengekomen? En de media, in komkommertijd, niet hadden misbruikt om een vertekend en negatief beeld van een nieuw beeld te schetsen?’

Jan Duijf Kloosterstraat