‘Hij zegt weer boompieper’, zegt de vrouw tegen haar man en hun hondje,
terwijl ze op het pad aan de rand van een door bossen omgeven Americaanse akker
op haar smartphone kijkt. Ze zegt niet ‘wéér’ en ze zegt ook niet ‘verdomme’.
Toch lijkt een zweem van teleurstelling door te klinken in haar stem. Waarop
had ze dan gehoopt? Of misschien wel gerekend? De ortolaan? De kuifleeuwerik?
De nachtegaal?
Alsof er iets mis is met de boompieper. Ja, z’n naam deugt niet, piepers staan
niet hoog aangeschreven, misschien een trede hoger dan de mauwers en de
mekkeraars, maar dan heb je het wel zo’n beetje gehad. Terwijl het ‘m ook maar
gewoon is aangedaan, de boompieper, die naam. Geen misverstand: hij piept. Soms.
Verder zingt-ie vooral. Melodieus en krachtig. Krachtiger dan je zou verwachten
bij een vogeltje dat niet groter is dan een kleine hand. Vandaar dat Hij ‘m beter
hoort dan de wat bescheidener zangers.
Hij is trouwens pas sinds een week of drie weer back in town: de boompieper brengt de winter door in Afrika. Als het nieuwe schooljaar is begonnen, vliegt-ie weer terug. Ergens ten zuiden van de Sahara strijkt-ie neer: Mali, Soedan, Ethiopië, die kanten, maar ook zuidelijker, zelfs tot in het noorden van Zuid-Afrika, ruim tienduizend kilometer verderop. Niet uitgesloten dat we ‘m daar ooit om gaan benijden, je weet maar nooit met die stijgende kerosineprijzen. Hij wel, wij niet meer.
Hij is trouwens pas sinds een week of drie weer back in town: de boompieper brengt de winter door in Afrika. Als het nieuwe schooljaar is begonnen, vliegt-ie weer terug. Ergens ten zuiden van de Sahara strijkt-ie neer: Mali, Soedan, Ethiopië, die kanten, maar ook zuidelijker, zelfs tot in het noorden van Zuid-Afrika, ruim tienduizend kilometer verderop. Niet uitgesloten dat we ‘m daar ooit om gaan benijden, je weet maar nooit met die stijgende kerosineprijzen. Hij wel, wij niet meer.





































