Gevleugelde uitdrukking dezer dagen: Parijs is nog ver. Vroeger was Parijs nog
veel verder. Toch haalde de laatste bewoner van kasteel Huis ter Horst, Franz Clemens von Fürstenberg
(1755-1827), Parijs. En wel in 1804. Samen met z’n broer Theodor. Om er de kroning van
Napoleon tot keizer van Frankrijk bij te wonen, een 8,5 miljoen frank kostende ceremonie
met meer dan twintigduizend gasten.
Napoleon in 1806 op de keizerlijke troon, geschilderd door Jean-Auguste-Dominique Ingres
Als president van het kanton Weiden ontving Theodor Hermann von Fürstenberg
(1772-1828) begin november 1804 een uitnodiging om aanwezig te zijn bij de
kroning in de Notre-Dame op 2 december. Waarom de niet genodigde Franz Clemens hem
vergezelde? Vermoedelijk vooral omdat Theodor zijn broer, ondanks hun slechte
persoonlijke verhoudingen, als een geschikte persoon zag om de reis van
tweeënhalve maand naar Parijs vast te leggen.
Franz Clemens kweet zich met verve van deze taak. Dit resulteerde in een (niet
gepubliceerd) dagboek van zeventig bladzijden. Het bestrijkt de periode tussen
19 november 1804 en 4 februari 1805, is in het Frans gesteld en heeft als titel
Voyage de Paris pour le couronnement de l’empereur Napoleon.
Eerste bladzijde van het dagboek
Ik ontleen deze informatie aan Das Paris des napoleonischen Kaiserreichs in
der Wahrnehmung rheinischer Adeliger, de voorbeeldige masterscriptie van
Ulrike Schmitz uit 2014 (klik hier). Daarin schenkt ze ruim aandacht aan het
dagboek van Franz Clemens. Wat ik daaruit opmaak is dat de gebroeders tal van toeristische
hoogtepunten in en om Parijs aandeden. Zo bezochten ze het paleis van Versailles,
het Louvre en het Panthéon. Opera en theater konden beide broers maar matig
bekoren: het bleef bij enkele bezoekjes waaraan Franz Clemens slechts een paar
woorden wijdt. Meer plezier beleefden ze in café Frascati, place to be
voor de jetset: ‘We gingen naar Frascati, waar de hele beau monde van Parijs
op elkaar lijkt, en om drie uur 's nachts gingen we naar bed: we hadden
dringend behoefte aan rust.’
De galerijen van het Palais-Royal in 1800
Hoogtepunt van de beschrijvingen van Franz Clemens noemt Schmitz diens gedetailleerde
schets van het Palais-Royal. Dit voormalige koninklijk paleis was ten tijde van
het bezoek van de Fürstenbergs een winkelcentrum, inclusief cafés, restaurants
en bordelen. Franz Clemens: ‘De drukte is er in elk jaargetijde enorm. Het is
net een permanente kermis. Je ziet er allerlei curiositeiten. (…) De deuren
gaan om 2.00 uur dicht. (…) Om 17.00 uur trekken de respectabele vrouwen zich
terug, want dan beginnen de courtisanes zich te vertonen.’ Zijn conclusie: ‘Wie
Parijs heeft gezien zonder het Palais Royal te bezoeken, heeft eigenlijk niets
gezien.’
En de kroning van Napoleon, waar het uiteindelijk allemaal om te doen was?
Daarover in een volgende aflevering meer. Dan ook ruimere aandacht voor de
indruk die Parijs en de kroning op beide broers maakten.
24 mei, Dag van het Kasteel! Toevallig net een roman gelezen waarin een kasteel
lange tijd een wezenlijk deel van het decor vormt. Het kasteel is naamloos, de
roman heet Lázár, de auteur Nelio Biedermann. Zeer lezenswaardig. De piepjonge
Zwitser schetst in Lázár het verval van een adellijke familie op het
Hongaarse platteland tussen 1900 en 1960. Het verval van de familie gaat zo’n
beetje gelijk op met het verval van het kasteel.
Een van de hoofdpersonages is baron Sándor von Lázár, omstreeks 1900 de
kasteelheer. Sándor is een autoritaire figuur, kil en afstandelijk, gevreesd
door zijn twee kinderen. Nadat zijn echtgenote Mária zelfmoord heeft gepleegd,
begint Sándor te drinken, excessief te drinken: ‘Voor de middag al sleepte hij
zich dronken door het kasteel, daarbij de Unicum steeds uit een porseleinen
kopje drinkend om schijn en waardigheid te bewaren.’ Het kasteel raakt
geleidelijk in verval. Van het personeel blijft alleen oudgediende Béla de
baron trouw. In 1919 overlijdt Sandór bij het bestijgen van de trap naar zijn
slaapkamer: ‘Plotseling wankelde hij een beetje opzij, vergiste zich bij de
volgende stap in de hoogte van de laatste trede, stootte er met zijn voet
tegen, verloor zijn evenwicht en viel achterwaarts alle achttien treden naar beneden.’
Als vanzelf gingen mijn gedachten bij het lezen van de passages over Sándor
naar Franz Clemens von Fürstenberg (1755-1827), de laatste kasteelheer van Huis
ter Horst. Hoewel Von Fürstenberg een eeuw eerder leefde dan Sándor, kon hij wel
model voor hem hebben gestaan: ook baron, ook autoritair, ook bewoner van een
kasteel in verval, ook gevreesd door zijn nageslacht (dochter Charlotte), ook
vervreemd van zijn echtgenote (Sophie von Ascheberg; die hem na zeven jaar
huwelijk verliet) ook slechts één personeelslid dat hem trouw bleef (Johanna
Rosenboom), ook berooid aan zijn einde gekomen.
Behalve overeenkomsten zijn er ook verschillen. Zo was bij Franz Clemens bij
mijn weten geen sprake van overmatig drankgebruik. En uit de verhalen die over
hem de ronde doen, blijkt dat hij wel degelijk ook een sociale kant moet hebben
gehad. Verder komt Franz Clemens uit die verhalen vooral naar voren als een
zonderling. Of hij dat inderdaad was, zou ik niet met zekerheid durven te
zeggen. Tien jaar geleden schreef ik (klik hier) dat ik het zou toejuichen als iemand het
leven van Franz Clemens eens bestudeerde met in het achterhoofd de vraag of hij
in bepaalde opzichten z’n tijd niet ver vooruit was. Zo lang niemand dat heeft
gedaan onthoud ik me van een eindoordeel.
Afgelopen zaterdag lanceerde Museum De Kantfabriek een wandelroute door het
centrum van Horst over het Horster textielverleden. Horster textielverleden?
Inderdaad – de geschiedenis van Horst bestaat uit meer dan alleen landbouw en
veeteelt. De productie van textiel was hier eeuwenlang een niet onaanzienlijke
bron van inkomsten. Dit besef is geleidelijk verdwenen uit het collectieve
Horster bewustzijn, een proces dat ongeveer gelijk opging met de teloorgang van
de gehele Nederlandse textielindustrie. Goed dat Museum De Kantfabriek hier nu
met die wandelroute (download de app Erfgoed Route Limburg) tegenwicht aan
probeert te bieden.
Met het historisch besef is het in Nederland slechter gesteld dan in welk
buitenland ook. Zelfs ik, die me toch historicus mag noemen, moet heel diep
nadenken om figuren als Hugo de Groot, de gebroeders De Witt en stadhouder
Willem III te kunnen duiden. Hetzelfde geldt voor gebeurtenissen als de Slag
bij Heiligerlee, de Hoekse en Kabeljauwse twisten en de Pacificatie van Gent en
voor begrippen als de schoolstrijd, de Bataafse Republiek en het Rampjaar.
Op lokaal niveau is het minder triest gesteld met mijn historisch besef. Of die
vlieger voor iedereen opgaat, waag ik te betwijfelen. Kent u als inwoner van Kronenberg
de ontstaansgeschiedenis van uw dorp? Weet u als inwoner van Melderslo waarom
er een straat is vernoemd naar Mathijs Claassens? Bent u als inwoner van
Broekhuizen bekend met de bewoningsgeschiedenis van kasteel Broekhuizen? Nee,
je gaat er niet aan dood als je dat allemaal niet weet. Zoals je ook normaal
kunt functioneren als je niet weet wat een esdorp is, wanneer Franz Clemens von
Fürstenberg leefde of wie Jacob Merlo was. Maar enige kennis van wat zich in
het verleden in jouw omgeving heeft afgespeeld, verrijkt je leven wel. Het bevordert
het saamhorigheidsgevoel, het maakt je bewust van plekken met een bepaalde
betekenis, het helpt je om te begrijpen waarom iets is zoals het is, het biedt
je misschien zelfs wel meer inzicht in jezelf.
Ik weet: het historisch besef moet concurreren met allerlei andere beseffen. Maar
als we nu eens een begin maken met het verder ontwikkelen van het lokaal
historisch besef, dan volgen het nationaal historisch besef, het zoölogisch
besef, het kunstbesef, het botanisch besef, het politiek besef, het
kosmologisch besef en al die andere beseffen daarna vanzelf. Het beginstadium
van het slavernijbesef kan je dan trouwens al gepasseerd zijn. Loop daarvoor de
route van Museum De Kantfabriek over het Horster textielverleden.
(Dit stukje verscheen vorige week in iets andere vorm ook in Via Horst-Venray)
‘Koeka babyspullen.’ Dat is waarschijnlijk mijn antwoord als iemand me over een
jaar zou vragen wat ik me nog herinner van The Village 2018, het festival met
elektronische muziek gisteren op, in en om de ruïne van kasteel Huis ter Horst,
waar 30-plussers op de vingers van twee handen zijn te tellen.
Ik was op veel voorbereid, maar dat twee jongemannen, terwijl het festival al
op z’n eind loopt, minstens een kwartier lang een diepgaand gesprek voeren over
allerlei aspecten van het jonge ouderschap (de prijzen van maxi cosi’s, luiers
verschonen, de baby wassen, de leuke spullen van Koeka, de kraamverzorgster)
overtreft alles. En ze wekten niet eens de indruk dat ze lam waren.
Het gesprek is illustratief. Hier wordt bijgepraat, hier worden herinneringen opgehaald. Festival
of toch eerder reünie? De muziek lijkt ondergeschikt aan het socializen. Gedanst
wordt er weinig. Gepraat des te meer. Wat eigenlijk weer onmogelijk is vanwege
de muziek. Wat eigenlijk een beetje jammer is. Want eigenlijk is de muziek heel
mooi.
Het decor is fantastisch. Een groot podium op de open binnenplaats, een Tanzbar in een kleiner vertrek binnen,
een kleine onoverdekte arena in wat ooit een van de hoektorens van het kasteel
was met in het midden een vuurschaal,
in een andere voormalige hoektoren een eettentje, in weer een andere ruimte
gelegenheid om te chillen. En overal ridderattributen. De discoverlichting
(heet dat zo?) maakt het tot een magisch geheel. Kan hier niet elke week een
lichtshow plaatsvinden?
Van drugs geen spoor. Mede omdat de enkeling die wel stimulantia bij zich
heeft, die bij de ingang keurig deponeert in de drugs dropbox. Gezeglijk volkje
hiero.
Uit de hand gelopen? Geen sprake van!
C. maakt me attent op de heuptasjestrend, zowel bij vrouwen als mannen. R.
wijst me erop dat out of the blue witte
sportsokken weer schijnen te mogen. En verdomd als het niet waar is (klik op de pijl om het filmpje te starten):
Zonder witte sportsokken kun je het hier wel schudden. Ik dus ook.
Zou Franz Clemens von Fürstenberg (1755-1827) , de laatste bewoner van kasteel
Huis ter Horst en zo gek als een deur, zich hier net zo goed hebben vermaakt als
ik? Ik weet het bijna zeker.
(graag wil ik S., M., R., K., R., C., K., M. en J. bedanken voor het feit dat ze
zich voor kortere of langere tijd wilden ontfermen over deze party pooper bij uitstek, waardoor het
niet de gevreesde martelgang werd. Wat zeg ik? Ik heb genoten!)
Slotaflevering – in elk geval voorlopig – van een korte
serie over Franz Clemens von Fürstenberg (1755-1827).
De vorige drie afleveringen (klik hier, hier en hier) over het leven van de laatste bewoner van kasteel Huis ter Horst waren gebaseerd op een prachtig artikel van Horst Conrad (klik hier voor de titelgegevens). Helaas laat Conrad de Horster periode van Franz Clemens
(1791-1827) bijna volledig buiten beschouwing. Ook anderen hebben nauwelijks
over die Horster periode gepubliceerd. Als ik het wel heb blijft het bij wat waarschijnlijk
niet al te serieus te nemen anekdotes (gememoreerd in de eerste aflevering;
klik hier) én een postuum artikel van H.G. ter Voert, gepubliceerd in deel 1
van Horster historiën. Ter Voert
bestudeerde een aantal processen die Franz Clemens in 1796 aanspande voor de
Horster schepenbank. Hieruit rijst het beeld op van een autoritaire man, die
nauwgezet toezag op de naleving van allerlei regeltjes en die door het minste
of geringste geprikkeld kon raken. Over die lichtgeraaktheid zei hij zelf:
‘De een vindt
belangrijk wat een ander voor een kleinigheid houdt. Voor mij is het geen
kleinigheid wanneer iemand 24 uur van mijn kostbare tijd in beslag neemt,
waardoor andere zaken worden opgehouden. En intussen word ik dan toch maar door
jan en alleman voor een bedrieger uitgemaakt.’
Ter Voert oppert dat het gedrag van Franz Clemens mogelijk
voortvloeit uit frustratie over het feit dat sommige Horstenaren preludeerden
op de afschaffing van de heerlijke rechten (in 1798) en het minder nauw namen
met het nakomen van hun verplichtingen. Dit zal wellicht hebben meegespeeld,
maar uit het artikel van Conrad weten we inmiddels dat het optreden van Franz
Clemens past in een patroon dat al minstens twintig jaar eerder tot
ontwikkeling kwam.
Zoals gezegd in de eerste aflevering stond Franz Clemens in
Horst te boek als zonderling – ‘de gekke graaf’ was z’n weinig vleiende
bijnaam. Niet te ontkennen valt dat Franz Clemens bij tijd en wijle abnormaal
gedrag vertoonde. Ook Conrad levert daarvoor karrenvrachten aan bewijs. Een
vraag die Conrad jammer genoeg een beetje uit de weg gaat – en die mij
intrigeert – is of Franz Clemens gewoon zo gek was als een deur óf dat hij door
zijn tijdgenoten, met inbegrip van zijn naaste familie, werd uitgekotst vanwege
zijn weinig gangbare ideeën en een levenswijze die afweek van de norm. Conrad
tendeert naar het eerste. Ongetwijfeld op goede gronden. Toch zou ik het
toejuichen als iemand het leven van Franz Clemens eens bestudeerde met in het
achterhoofd de vraag of Franz Clemens in bepaalde opzichten z’n tijd niet ver
vooruit was.
Nieuwe aflevering in de kleine serie over Franz Clemens
von Fürstenberg, de laatste bewoner van kasteel Huis ter Horst. Het zij nog
maar eens herhaald: bron is een prachtig artikel van Horst Conrad (klik hier
voor de titelgegevens).
We waren gebleven in 1788. Sophie von Ascheberg, de
echtgenote van Franz Clemens, heeft een dochter gebaard. Die wordt op gezag van
Franz Clemens na drie weken ondergebracht bij een boerin, twintig kilometer
verderop, waar Charlotte onder eenvoudige omstandigheden dient op te groeien.
Franz Clemens blijft ondertussen lichamelijk geweld tegen zijn echtgenote
gebruiken. Sophie is dat in 1791 – het jaar waarin Franz Clemens naar Huis ter
Horst verhuist – zo beu dat ze Franz Clemens na zeven jaar huwelijk verlaat.
Een in die tijd uiterst ongebruikelijke stap, die indruist tegen het katholieke
huwelijksrecht. Franz Clemens eist meerdere keren dat Sophie bij hem terugkeert.
Zij is daartoe bereid mits hij belooft zijn eigenzinnige levenswijze op te
geven. Franz Clemens weigert categorisch: hij laat zich niet door zijn eigen
vrouw de les lezen – als er iemand voorwaarden dient te stellen, dan hij.
Onder druk van de familie van Franz Clemens komt het in 1798
tot een nieuwe verzoeningspoging. Sophie wordt nogmaals aan het verstand
gebracht dat ze zondigt tegen het katholieke huwelijksrecht. Als ze de
onderhandelingen afbreekt, geeft bisschop Franz Egon von Fürstenberg, een oom
van Franz Clemens,
haar te verstaan dat ze dan ook niet langer op verdere
ondersteuning van de familie hoeft te rekenen. Verbitterd schrijft Sophie: ‘Der Gedanke an Noth sollte mich also näher
zu einer Aussõhnung stimmen? Elend macht nur niedrige Seelen kriechen.’ Ze
besluit definitief met haar man te breken en keert terug naar Münster. Daar
ondervindt ze opmerkelijk veel steun voor haar handelwijze. Zelfs bij de
familie Von Fürstenberg heeft Sophie het niet helemaal verkorven. Een jongere
broer van Franz Clemens stopt haar regelmatig wat toe en bisschop Franz Egon von
Fürstenberg, die haar eerder zo onder druk heeft gezet, bepaalt bij testament
dat Sophie en haar dochter een jaarlijkse toelage van tweeduizend daalder
krijgen. Franz Clemens ontvangt niets: zijn keuze voor een filosofische
levenswijze betekent volgens zijn oom tevens een keuze voor een leven zonder
behoeften.
In 1802 raakt Franz Clemens ook nog eens zijn
dochter kwijt: waarschijnlijk op initiatief van de familie Von Fürstenberg komt
Charlotte definitief onder de hoede van haar moeder, iets waartegen Franz
Clemens zich altijd heftig had verzet.
Volgende keer: meer over de gedragingen van Franz Clemens in
Horst.
Verder met Franz Clemens von Fürstenberg, de laatste bewoner
van kasteel Huis ter Horst over wie Horst Conrad een geweldig artikel schreef
(klik hier). Het is niet mijn gewoonte hier artikelen uitvoerig te parafraseren,
maar in dit speciale geval wil ik een uitzondering maken. Omdat het artikel
niet is gedigitaliseerd, omdat het niet zomaar even kan worden geleend in de
bibliotheek, omdat het niet in het Nederlands is geschreven én, dat vooral, omdat het zo’n prachtig inzicht biedt in het
getormenteerde leven van Franz Clemens en verklaart waarom hij in Horst werd
beschimpt als ‘de gekke graaf’.
We waren gebleven in 1783. Franz Clemens is dan 28 en van
zijn leven is nog niet veel terechtgekomen: conflicten met
zijn uiterst dominante vader, ongeschikt bevonden voor de Pruisische
staatsdienst en hoewel oudste zoon niet tot hoofderfgenaam gemaakt door zijn
vader. Iemand ook met dwarse opvattingen: hij verheerlijkt het eenvoudige
leven, de boerenstand en armoede en heeft de ambitie verstand en hartstocht in
één systeem te verenigen. Inspiratie vindt hij in de theologie van Franciscus
van Sales (1567-1622) en de filosofie van de antieke Stoa en die van Jean-Jacques
Rousseau (1712-1778).
Op aandringen van zijn broers wordt in 1783 een zoektocht
ondernomen naar een geschikte huwelijkspartner voor Franz Clemens. Die wordt
gevonden in de 17-jarige Sophie von Ascheberg (1767-1840), telg uit een oud
Westfaals adellijk geslacht. In maart 1784 wordt het huwelijk voltrokken. Franz
Clemens laat zijn schoonmoeder meteen maar weten dat hij het huwelijk ziet als
een weg die niet altijd over rozen gaat. Als om die overtuiging kracht bij te
zetten verbiedt hij Sophie onmiddellijk de omgang met haar vroegere vriendinnen
en staat hij haar niet toe een eigen correspondentie te voeren. Om zijn ideaal
van eenvoudig leven te verwezenlijken betrekt Franz Clemens met zijn echtgenote
een vervallen bijgebouw van Haus Dieck (35 kilometer ten oosten van Münster;
klik hier voor bron foto).
Sophie moet er onder meer metselwerkzaamheden verrichten, de
stal uitmesten en houthakken. Zijn personeel verbiedt hij naar de kerk te gaan
en ook sluit hij het bij tijd en wijle op. In 1785 pacht Franz Clemens het
veertig kilometer ten oosten van Dortmund gelegen Haus Füchten (klik hier voor
bron foto).
Aan zijn gedrag verandert dit niets. Zo laat hij uit angst
voor tocht de vensters van het huis dichtmetselen. En hij ontzegt Sophie
medische hulp omdat hij op de natuur vertrouwt en ziekte als een straf van god
beschouwt. Ook schrikt hij niet terug voor lichamelijk geweld ten opzichte van
zijn echtgenote.
Ondanks alles brengt Sophie op 20 december 1788 een dochter
ter wereld, Charlotte. Al na drie weken wordt Charlotte gescheiden van haar
ouders: Franz Clemens vertrouwt haar toe aan de zorgen van een boerin,
woonachtig in de omgeving van het twintig kilometer verderop gelegen Soest. De
boerin zou het meisje natuurlijker kunnen opvoeden, al erkent Franz Clemens ook
dat hij op deze wijze zijn bittern
Vattern wil laten zien dat hij eindelijk is opgewassen tegen het leven. Of
dat daadwerkelijk zo is? Daarover een andere keer meer.
De bewoners van kasteel Huis ter Horst hebben me nooit echt kunnen
boeien. Ik zal niet zeggen dat ze me worst waren, de Van Mirlaers, de
Wittenhorsten en de Von Fürstenbergs, maar veel scheelde het niet. En nu ben ik
toch ineens in de ban geraakt van Franz (Frans) Clemens von Fürstenberg. De
laatste bewoner van het kasteel met de bijnaam ‘de gekke graaf’ kwam twee weken geleden al in een stukje aan de orde (klik hier). Dat was onder meer gebaseerd op
een artikel van Gert Verheijen over Franz Clemens (klik hier en ga naar
bladzijde 33). Dat is op zijn beurt gebaseerd op een artikel van Horst Conrad,
dat ik afgelopen donderdag dankzij de dienstbaarheid van de Diözesanbibliothek
in Keulen (gratis!) kreeg thuisgemaild.
In dit geweldige artikel bespreekt Conrad drie
familieconflicten binnen de Westfaalse adel aan het einde van de achttiende
eeuw. In een van die drie casussen staat Franz Clemens von Fürstenberg
centraal. Bijna twintig bladzijden lang gaat het vooral over de eerste veertig
jaar van diens diep tragische leven. Bijna twintig uitermate fascinerende
bladzijden met meer dan voldoende aanknopingspunten voor een avondvullende speelfilm.
Bijna twintig bladzijden die ik in twee stukjes zal proberen samen te vatten. In
dit eerste stukje sta ik stil bij de problematische verhouding tussen Franz
Clemens en zijn vader Clemens Lothar. In een tweede, later te publiceren stukje
gaat het over de zo mogelijk nog problematischer verhouding tussen Franz
Clemens en zijn echtgenote Sophie von Ascheberg.
Als Franz Clemens (1755-1827), de oudste zoon van Clemens
Lothar von Fürstenberg (1724-1791), in 1775 ruzie maakt met zijn moeder en
bovendien in het geniep plannen aan het maken is voor een reis naar Italië,
grijpt zijn vader keihard in. Clemens Lothar neemt de dagboeken van zijn zoon én
diens aantekeningen voor de paasbiecht in beslag. Daaruit maakt hij op dat
Franz Clemens tot een ‘onproductieve filosofische levenswijze’ heeft besloten.
Aanleiding voldoende om hem de omgang met al zijn bekenden te verbieden en hem
te laten opsluiten in kasteel Adolphsburg, gelegen in het Sauerland, op korte
afstand van Schloß Herdringen, de zetel van het adellijk geslacht Fürstenberg.
Clemens Lothar noemt zijn zoon een Narr,
een Esel, een Gelbschnabel en een Kappeskop,
maar is ervan overtuigd dat hij al diens dwaasheden er wel uit zal weten te slaan.
Zover komt het niet: na korte tijd slaagt Franz Clemens erin met behulp van aan elkaar
geknoopte lakens de Adolphsburg te ontvluchten. Hij vindt onderdak bij zijn oom
Franz von Fürstenberg. Die neemt hem vijf jaar lang onder zijn hoede. Regelmatig
bericht Franz zijn broer over de vorderingen die Franz Clemens maakt. Clemens
Lothar
reageert daar vol ongeloof op: hij kan zich niet voorstellen
dat zijn zoon vooruitgang boekt. Een verzoeningspoging tussen vader en zoon in
1780 heeft niet het gewenste resultaat. Franz Clemens trekt daarop vanuit
Westfalen naar Berlijn, waar hij in dienst treedt van koning Frederik II. Met
instemming van zijn vader:
‘Mir ist nichts
lieber geweßen, als daß Du Dich den Diensten
eines solchen und so großen Königs gewidmet hast, wovon selbst Du wirst lernen,
was unterthäniger Sohn, Du allhier von Fürstenberg nicht hast begreifen wollen oder können.’
Maar aan het verblijf van
Franz Clemens aan het Pruisische hof komt al snel een einde. Hij krijgt het
verwijt dat hij een filosofisch systeem bij elkaar heeft bedacht dat in theorie
veelbelovend is maar in de praktijk niet blijkt te werken. Daarom wordt hij
ongeschikt bevonden voor de Pruisische staatsdienst. Tot overmaat van ramp laat
zijn vader hem weten dat hij geen hoofderfgenaam wordt. Dit leidt ertoe dat
Franz Clemens in 1783, op 28-jarige leeftijd, zijn leven geheel opnieuw moet
inrichten. Zijn vader en zijn broers menen hem daarbij te moeten helpen en gaan
op zoek naar een huwelijkspartner – wat het onheil alleen maar groter zal
maken. Waarover een volgende keer meer.
N.B. Het artikel van Horst Conrad is getiteld ‘Am Ende des
Ancien Regime. Familienkonflikte im westfälischen Adel’ en is gepubliceerd in Werner
Frese (redactie), Zwischen Revolution und
Reform. Der westfälische Adel um 1800 Münster 2005, p. 113-158.
De laatste bewoner van kasteel Huis Ter Horst was Franz (Frans) Clemens von Fürstenberg (1755-1827). Over Frans Clemens doen allerlei verhalen
de ronde. Zo ontdekte hij op zekere dag tijdens een wandeling langs zijn
weilanden dat paarden en koeien door elkaar liepen. Dit tot zijn grote
ongenoegen. Daarom trok hij met z’n wandelstok een streep in de wei en
schreeuwde dat de paarden aan de ene kant van de streep dienden te blijven en
de koeien aan de andere kant. Dieren die hieraan geen gehoor wensten te geven, zou
hij persoonlijk overhoop schieten.
Frans Clemens was naar verluidt ook gek op rijstepap. Op een
dag gaf hij de vrouw van de pachter van boerderij de Campsplaats (gelegen aan
de huidige Tienrayseweg) opdracht rijstepap voor hem te maken. Toen hij genoeg
had, moest de vrouw de resterende pap in de kelder zetten. Frans Clemens beloofde
haar het restant een volgende keer op te eten. Pas weken later herinnerde hij
zich deze toezegging. Hij liet daarop de vrouw de intussen geheel beschimmelde
pap uit de kelder halen. Frans Clemens gaf geen krimp en verorberde de pap met
smaak.
Over het almaar voortgaande verval van het kasteel maakte
Frans Clemens zich geen zorgen: zodra het ene vertrek door verwaarlozing
onbewoonbaar was geworden, verhuisde hij naar het andere. Nadat zo het hele
kasteel aan de beurt was geweest, nam hij uiteindelijk zijn intrek op de
Campsplaats.
In oktober 1810 bracht Caspar von Weichs de Wenne een bezoek
aan Frans Clemens. Daarna schreef Caspar: ‘Mijn
pen is te zwak om voor u zijn leven, doen en handelen te beschrijven. Hij heeft
hier te lande bij iedereen achting en geduld verloren. Hij wordt bespot,
uitgelachen.’ Frans Clemens ging in Horst dan ook door het leven als ‘de
gekke graaf’.
Deze week onthulde Dagblad
De Limburger dat de contouren van het voormalige kasteel door middel van
een stalen constructie weer zichtbaar moeten worden gemaakt, dat naast het
kasteel een nieuwe hoeve moet verrijzen, dat die hoeve als onderdeel van de Sportzone plaats moet bieden aan
binnensport (denk aan judo), een overnachtingsmogelijkheid en een
gezondheidscentrum en dat de gemeente Horst aan de Maas dit alles ‘een mooi
plan’ vindt (klik hier).
Soms lijkt het er verdomd veel op alsof de geest van de
gekke graaf nog altijd rondwaart in Horst.