Posts tonen met het label Frits Abrahams. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Frits Abrahams. Alle posts tonen

maandag 16 februari 2015

Klein mysterie 624 – Mark Verheijen

Op zaterdag 31 maart 2012 bezocht ik samen met de destijds 8-jarige T. PSV-VVV. Van de wedstrijd, die VVV met 2-0 verloor, herinner ik me weinig, van de terugreis des te meer. De NS was op het lumineuze idee gekomen slechts één treinstel in te zetten om de massa treinende voetballiefhebbers uit Oost-Brabant en Noord-Limburg huiswaarts te vervoeren. Gevolg: een afgeladen trein. Tevergeefs zochten T. en ik op een overvol balkon bewegingsruimte. Nooit eerder kwam Helmond – en daarmee zich openende deuren en mensen die de trein verlieten – zó gelegen.   
Nee, dan had Mark Verheijen het toch net ietsje beter getroffen. De toenmalige gedeputeerde van de provincie Limburg (en voormalig gemeenteraadslid van Grubbenvorst) behoorde eveneens tot de aanwezigen in het Philips Stadion. Voor hem geen overvolle trein, wel een auto met chauffeur die hem thuis in Venlo ophaalde en na afloop weer voor de deur afzette. Allemaal op kosten van de provincie Limburg, zo onthulde NRC Handelsblad afgelopen woensdag.  
Reactie van Verheijen: ‘Ik ben een politicus, geen heilige. Ik ben niet feilloos. Het bezoek aan de voetbalwedstrijd in Eindhoven vind ik zakelijk. Een bestuurder moet zich in netwerken begeven. Daarbij: ik hou niet van voetbal.’ De stakker: niet van voetbal houden en toch naar Eindhoven moeten. Voor de goede zaak, de Limburgse zaak, zet-ie z’n eigen belangen opzij en offert zich maar weer op. Onbegrijpelijk dat Frits Abrahams (‘waarom trekt hij zich eigenlijk iets aan van berichtgeving die hij als “tendentieus” typeert’), Kustaw Bessems (‘Mijnheer Verheijen, mijnheer Zijlstra en mijnheer Rutte hebben schijt aan u en aan mij’), Bas Heijne (‘kleine jongen die te graag meedoet met de grote jongens’), Youp van ’t Hek (‘sjoemelboemel’), Bert Wagendorp (‘sjoemelpoliticus’) en noem ze verder allemaal maar op, daar de afgelopen dagen zo lullig over deden.
Nog even over dat ‘zich in netwerken begeven’ van meneer de bestuurder op die bewuste 31e maart 2012. De NRC meldt dat de chauffeur in totaal 3,25 uur (= 200 euro) kwijt was aan het op en neer rijden naar Eindhoven en het wachten tijdens de wedstrijd. 3,25 uur, dat is 195 minuten. Venlo-Philips Stadion, dat is inclusief in- en uitstappen en druk voetbalverkeer minimaal 45 minuten. Philips Stadion-Venlo idem dito. Bij elkaar 90 minuten. 90 minuten zonder gelegenheid tot netwerken. Resteren 105 minuten. Precies de duur van de voetbalwedstrijd, inclusief pauze. Dat betekent dat meneer de bestuurder de wedstrijd zélf heeft gebruikt om te netwerken. Waarmee hij zondigde tegen netwerkwet nummer 1: ‘Nooit netwerken tijdens voetbalwedstrijden – niet álle netwerkers zijn voetbalhaters.’ Uit bandopnamen waarop Horst-sweet-Horst beslag wist te leggen wordt pijnlijk duidelijk hoezeer meneer de bestuurder de mist inging en de provincie Limburg vele miljoenen misliep:
‘Roderik, even, er zijn wat probleempjes met de Floriade, kun jij misschien bijspringen?’
‘Wat zeg je Mark? Ah, Depay komt erin. Verdomd aardig spelertje. Mark my words. Voel je ’m, Mark?’
‘Ja, een hele goeie, Roderik. Maar ik zei dat we in de nesten zitten met de Floriade.’
‘Die Toivonen bakt er vandaag weer helemaal niets van, zeg.’
‘Roderik …’
‘Nou, mist-ie sakkerju ook nog een penalty …’
‘Roderik …’
‘Die bal zijn ze morgen nog aan het zoeken.’
‘Roderik …’
‘Mark, wil je alsjeblief effe je waffel houden? Ik probeer van de wedstrijd te genieten. Na afloop hebben we tijd genoeg om over de Floriade te babbelen.’
‘Maar die Floriade kan ons de kop kosten, Roderik.’
‘2-0! Depay! Ik zei het je toch!’
‘Roderik …’
‘Zo die drie punten zitten weer in the pocket! Kom Mark, op naar de snacks.’
‘…’
‘Mark, waar ben je nou? We zouden die miljoenen van dat Floriadevlekje toch even wegpoetsen?’
‘…’
‘Mark!’
‘…’
‘Ach, bekijk het ook maar, Mark.’

zaterdag 16 juli 2011

Klein mysterie 265 – Zwaai

Ge rookt d’n asfalt en de zwaj
as ’t pas gereagend haj

Een strofe uit de nummer 1 van mijn top 5 van Rowwen Hèze-nummers. Wat ik er vooral zo mooi aan vind, is dat ‘d’n’ voor ‘asfalt’. Zo zeggen we dat inderdaad in het Horster. Niet ‘ut asfalt’, maar ‘d’n asfalt’. Zoals we ook ‘de zand’, ‘d’n bituum’, ‘de stasie’, ‘de zaal’ (zadel) en ‘d’n turf’ zeggen.
De betekenis van ‘zwaj’ was me lange tijd onbekend. Totdat in 1993 het onvolprezen Zò bót ás en hiëp verscheen.
Bladzijde 83: ‘zwaai: stoëm, dâmp’.

Op gezag van Rowwen Hèze heb ik dus altijd aangenomen dat de niet onaangename geur die er hangt na een vooral zomerse regenbui de geur van d’n asfalt en de zwaj (of zwaai) is. Hoewel ik de geur ook wel eens meende te bespeuren op plaatsen waar in de verste verte geen asfalt te bekennen was. En hoewel ik niets rook als ik na een regenbui wel eens met m’n neus umliëg op d’n asfalt ging liggen. En hoewel het me ook maar niet lukte de geur van de zwaj te identificeren. Ik weet dat maar aan een gebrekkig ontwikkeld reukorgaan. Twijfel aan de juistheid van de bewering van Jack Poels (de tekstdichter van De Peel in brand) liet ik niet toe – zou toch een vorm van heiligschennis zijn.
Sinds woensdag is het allemaal anders. Ik was aan het lezen in dit boek,
een verzameling eerder in De Volkskrant verschenen columns. Op pagina 105 en 106 brengt Koen Schouten een ode aan regen. Vooral aan het geluid van regen. Maar ten slotte ook aan de geur van regen: ‘Als het lang droog is, scheiden planten een olieachtige stof af om de groei van hun zaden te vertragen: petrichor. Die blijft op de bodem liggen. Als het gaat regenen, dan ruik je hem. Een van de lekkerste geuren die bestaan. En net als een goede zomerbui niet na te maken.’ Petrichor! Vergeet d’n asfalt en de zwaj: het is petrichor dat je ruikt als het pas geregend heeft! Ook al weer een heerlijk woord trouwens, petrichor (spreek uit: petrikor). Volgens Wikipedia in 1964 gemunt door de Australische wetenschappers I.J. Bear en R.G. Thomas.
Hamvraag is natuurlijk of Jack Poels dit allemaal wist toen ie in de jaren tachtig De Peel in brand schreef. Ik ga er vanuit van wel, vooral omdat ik niet wil dat er binnen een maand behalve Frits Abrahams nog een tweede held van z’n voetstuk duikelt. Waarom dan toch d’n asfalt en de zwaj? Misschien omdat Ge rookt d’n asfalt en d’n petrikor / as ’t pas gereagend haj niet echt lekker in de mond ligt?
Hoe het verder ook zij: duidelijk is dat ik niet langer met m’n neus op d’n asfalt hoef te gaan liggen om de geur van een zomerse regenbui op te snuiven. Een hele last minder.

maandag 27 juni 2011

Klein mysterie 261 – Frits (2)

Wat het temeer onbegrijpelijk maakt dat Frits Abrahams z’n bezoek aan Horst heeft beperkt tot het Loopcentrum, is het feit dat hij hier letterlijk in het voetspoor had kunnen treden van een van zijn (én mijn) literaire helden: J.J. Voskuil. Voskuil (1926-2008) is auteur van de 4.988 bladzijden lange zevendelige roman Het Bureau. Mocht u die nog niet gelezen hebben dan zou dat een schande zijn en kan ik u alleen opdragen er vandaag nog aan te beginnen.
Frits Abrahams schreef (op 29 januari 1999) over de eerste drie delen van Het Bureau: ‘Meesterlijke, unieke boeken vond ik dat, van een schrijver die om onbegrijpelijke redenen door vrijwel geen enkele collega-schrijver serieus werd genomen.’ In een bespiegeling (op 25 april 2000) over deel zes had hij het over ‘proza [met] de geladenheid van het werk van grote voorgangers als Elsschot, Alberts en Hotz’. Hoewel de delen vier en vijf hem ‘te statisch en te uitvoerig’ waren, noteerde hij daarover (op 29 januari 1999) toch: ‘Schitterend blijven de passages over kleine, afgeronde gebeurtenissen.’
Zo’n kleine, afgeronde gebeurtenis is het verslag van het bezoek dat Voskuils alter ego Maarten Koning op 14 juli 1977 brengt aan Horst en vooral Meterik (deel 4, p. 705-713; klik voor een korte samenvatting hier en ga vervolgens naar bladzijde 35). Als wetenschappelijk medewerker van het Instituut voor Dialectologie, Volks- en Naamkunde, het huidige Meertens Instituut, reist Voskuil met de trein naar Horst. Op het station wordt hij opgehaald door juffrouw Janssen, die voor chauffeur speelt en hem de rest van de dag zal begeleiden. Samen bezoeken ze in Meterik de oom van juffrouw Janssen, meester Janssen, en de bakkers Litjens en Steeghs.

Abrahams had zich af kunnen vragen of de genoemde personen echt hebben bestaan (ja) en zo ja, wie van hen nog in leven is (niemand). Hij had zich ook af kunnen vragen of bakkerij Litjens nog bestaat (nee).
Of bakker Steeghs een voorvader is van de huidige eigenaren van de bakkerij met die overheerlijke kersenkruimelvlaai, bakkerij Gerards-Steeghs (ja).
Of het ‘klein vierkant huis met een bloemperk ervoor, midden in de akkers’ nog altijd zichtbaar is vanaf het perron van station Horst-Sevenum (bij mijn weten niet). Of het stationsplein (‘een klein pleintje, midden in de akkers’) sinds 1977 wezenlijk is veranderd (nee).
Of het station inderdaad in de Ulfterhoek ligt, zoals juffrouw Janssen zegt (ja).
Maar Abrahams had natuurlijk ook kunnen mijmeren over de vraag of als Koning in deze tijd had geleefd de bloesemremedies van De 3 Vrouwen in Meterik hem zouden hebben verlost van z’n eeuwige hoofdpijn.
Of Abrahams had tijdens een bezoek aan paardenmelkerij ’t Vöske kunnen informeren hoe men daar denkt over het ophangen van de nageboorte van het paard (Voskuil hield zich jarenlang bezig met onderzoek naar het ophangen van de nageboorte van het paard).
Allemaal kansen die Abrahams heeft laten liggen. Laat ‘m hier z’n vakantie doorbrengen en deze zomer eens gewoon doorgaan met z’n column met Horst (Meterik) en Voskuil als inspiratiebronnen. Want ik vervloek elk jaar de maandag dat rechtsonder op de achterpagina van de NRC in vetgedrukte letters staat vermeld dat Frits Abrahams vakantie heeft en z’n column pas op de zoveelste augustus zal hervatten.

Klein mysterie 260 – Frits (1)

Boem! Weer een held van z’n voetstuk gekukeld. Frits Abrahams ditmaal. Frits was ooit sportjournalist van het Dagblad voor Noord-Limburg maar is nu al sinds tijden auteur van de dagelijkse column Dag op de achterpagina van NRC Handelsblad. Afgelopen woensdag droeg die de kop ‘Op expeditie’. Waarheen die (trein)expeditie Frits voerde? ‘Naar Horst aan de Maas, een Noord-Limburgs dorp dat vroeger alleen “Horst” heette, maar zich nu, verenigd met andere dorpen, tot de Maas uitstrekt.’ Wat Frits in Horst aan de Maas te zoeken had? Wandelschoenen, bij het Loopcentrum aan de Stationsstraat. ‘Mijn trein zette me bijna voor de deur van de winkel af. Afgezien van de winkel, die het Loopcentrum bleek te heten, en een grote vestiging van de Rabobank
was er verder niets te zien dan velden en wegen. Horst lag drie kilometer verderop. Je zou hier eerder een centrum voor landbouwwerktuigen verwachten, maar wat kon het schelen?’

Waarna hij minutieus beschrijft hoe hij een paar wandelschoenen aanschaft, om af te sluiten met: ‘Ik liep tevreden een paar rondjes, rekende af en vertrok. Toen moest ik weer twee uur terug naar Amsterdam. Een belachelijke expeditie? Ik houd (mijn) voet bij dit stukje en zeg: het was het waard.’
Nou vraag ik je: belandt hij een keer in ons prachtige Horst aan de Maas en wat doet Meneer De Columnist? Stapt uit de trein, koopt een paar schoenen en treint weer terug naar het dodelijk saaie Amsterdam! Op die manier is het inderdaad ‘een belachelijke expeditie’.
Waarom die loopschoenen niet meteen ter plekke uitgeprobeerd? Er valt zó veel te zien en te ontdekken in Horst aan de Maas. Een willekeurige greep: Sevenumse corpussen met blauwe lendendoek, Jan van Tengplaquettes, fietsenstallingsverbodsaanduidingen en rinkelpijpen. Ja zelfs, op nog geen tweehonderd meter van het station, iets wat je met enige fantasie ‘een centrum voor landbouwwerktuigen’ zou kunnen noemen.
Maar zelfs als Frits een geldige reden had om spoorslags terug te keren naar Amsterdam, dan had hij in elk geval de gelegenheid te baat moeten nemen om bij het station te genieten van het anonieme meesterwerkje en het Horster olifantspad met de meeste terreinwinst. Onvergeeflijk!
Ik hoop en verwacht dat die wandelschoenen nog enige aanpassing behoeven (als ervaren loopschoengebruiker weet ik dat meestal binnen de kortste keren een extra inlegzooltje noodzakelijk blijkt), zodat Frits binnenkort gedwongen is nogmaals naar Horst (aan de Maas) af te reizen. Ik zal hem dan met alle plezier wandelend, fietsend of desnoods rijdend laten zien dat ook Horst aan de Maas beslist eine Reise wert ist.