Ontvallen aan het legioen der trapveldjesvoetballers: Hanan Wael Al-Hawajri,
Gaza, overleden op 13 mei 2024
Nuseirat is een in het midden van de Gazastrook gelegen vluchtelingenkamp dat in 1969
werd gesticht. Al voor het uitbreken van de oorlog tussen Israël en Hamas op 7
oktober van het afgelopen jaar verbleven tienduizenden vluchtelingen in Nuseirat.
Het kamp was de afgelopen maanden zeer regelmatig slachtoffer van Israëlische
bombardementen. Gisteren nog bombardeerde het Israëlische leger een school in
Nuseirat. Daarbij vielen tientallen doden. Ook op 13 mei bombardeerde Israël
Nuseirat. Hanan Wael Al-Hawajri, een jonge voetballer, was een van de
tientallen mensen die daarbij werden gedood.
Hanan speelde in het meisjesteam van Ahli Club Nuseirat. Dit werd in 2022
opgericht, als eerste in dit deel van de Gazastrook en als derde in heel Gaza.
Het team telde al snel twintig meisjes tussen de 10 en 14 jaar. Na het begin
van de oorlog viel het team uit elkaar: de meeste meisjes belandden samen met
hun families in vluchtelingenkampen in Khan Younis en Rafah.
Aya Al-Haj was medespeler van Hanan: ‘Ik herinner me dat we elkaar voor het
eerst ontmoetten bij de club. Ze was blij en trots dat ze zich bij een
meisjesvoetbalteam had aangesloten.’ Ook Alaa Nawfal was een medespeler van
Hanan: ‘Ze was een van de eersten die zich bij het team voegde. Ze droomde van
een kampioenschap.’ Aya Al-Haj: ‘Het eerste kampioenschap na de oorlog dragen
we aan haar op.’
Overal ter wereld zijn trapveldjes. Nergens ter wereld komen zoveel trapveldjesvoetballers om het leven als in Gaza. Ter nagedachtenis aan hen deze serie. Die opent telkens met een foto van een trapveldje in Horst aan de Maas. Ditmaal dat tussen de Kerkstraat en Op de Kamp in Broekhuizenvorst. Klik hier voor de bron voor het stukje over Hanan.
Afgelopen weekend bijna twee dagen lang in een kraamkamer verbleven. Het was er
bijzonder aangenaam vertoeven. Hartelijk welkom geheten, door alles en iedereen
verwend, omgeven door warmte en vrolijkheid, slechts af en toe enig gekrijs.
U wist niet dat ik in blijde verwachting was? Kan ik me voorstellen. Met een
nakend (groot)vaderschap had mijn tweedaags verblijf in die kraamkamer dan ook helemaal
niets van doen. Wel met twee wandelingen. Op vrijdag in de Geijsterse Bossen en
de Boschhuizerbergen en de volgende dag van Wanssum via Maaspark Ooijen-Wanssum,
Broekhuizenvorst en Melderslo naar Horst. Op beide dagen in voortreffelijk gezelschap.
Maar vanwaar dan die kraamkamer? Omdat beide wandelingen zich grotendeels
afspeelden in bosgebieden. En die worden, blijkens op diverse plaatsen
aangetroffen welkomstborden, aangeduid als ‘Kraamkamer van de natuur’. Moeder
natuur die hier haar schatjes baart. Zoiets, vermoed ik.
Het was om je vingers bij af te likken, de majestueuze beuken in de Geijsterse
Bossen, de jeneverbessen in Boschhuizerbergen, de waterpartijen in Maaspark Ooijen-Wanssum,
de poelen in het Schuitwater, de zandverstuivingen op de Swolgender Heide.
Allemaal prachtig en uitnodigend. Het leek wel een sprookje. Uiteindelijk ís
het ook een sprookje. Want op de keper beschouwd is het toch een illusie. Te
mooi om waar te zijn. Je dénkt dat de natuur het hier voor het zeggen heeft,
maar als puntje bij paaltje komt is het de mens die de baas is. Dezelfde mens
die heeft beschikt dat bever en vogelkers hier zijn geïntroduceerd, gaat met
evenveel gemak over tot de verdelging van bever en vogelkers. Of het nu gaat om
bomen die zijn voorzien van oranje stippen of om van mos ontdane bospercelen of
om vernatting ter bestrijding van de droogte of om gemaaide paden of om hekken
en prikkeldraad die moeten verhinderen dat je je buiten die gebaande paden
begeeft: alles is door de mens bedacht en gecreëerd.
Over Maaspark Ooijen-Wanssum hoorde ik gisteren iemand zeggen, doelend op het
feit dat nog steeds geen beheerder voor het gebied is gevonden. ‘Het ligt er
allemaal nogal natuurlijk bij.’ Het was bedoeld als een verzuchting. Mij klonk
het als muziek in de oren.
Ik ben grootgebracht met de tegenstelling natuur – cultuur. Natuur: ongerept,
geen menselijk ingrijpen. Cultuur: aangeraakt door mensenhand. Mijn twee dagen
wandelen hebben me definitief met de neus op de feiten gedrukt. Die aloude
tegenstelling bestaat niet meer. Natuur in zijn oorspronkelijke betekenis
bestaat niet meer. Althans niet hier in Noord-Limburg. Kraamkamer van de
natuur? Speeltje van de mens zul je bedoelen.
(Dit stukje verscheen vandaag in iets andere vorm in Via Horst-Venray. Foto’s
2 en 3 zijn gemaakt door Agata Siwek.)
Horst-sweet-Horst maakte gisteren een rondje langs alle 23 stembureaus van
Horst aan de Maas en peilde er de stemming. Ziehier het resultaat:
10.41 uur – Meterik, De Meulewiek En? ‘Waat dóchte geej da, kel? CDA natuurlijk! Daat zit beej ôs al sinds 1471
in de femilie.’
11.27 uur – Horst, De Leste Geulde Piratenpartij neem ik aan? ‘Nee, SGP.’ Hoe dat zo? ‘Vanwege de bescherming van het ongeboren leven.’
11.43 uur – Horst, De Schuilplaats En? ‘Geen commentaar.’
12.04 uur – Horst, Frans Theelen En? ‘Sigrid! Without a shadow of a doubt!’
12.11 uur – Horst, De Berkel En? ‘De Berkel mót blieve!’ Nee, op wie heeft u gestemd? ‘Lijst 4, nummer 52.’ Wie is dat? ‘Zoek dat zelf maar uit.’
12.21 uur – Horst, De Beurs En? GroenLinks neem ik aan? ‘Om de dooie donder niet. Never never nooit niet zal ik daarop stemmen.’ Wat dan?
‘BBB. Back to basics. Power to the farmers.’
15.42 uur – Horst, Dendron En, wat gaat het worden? ‘Geen idee, ik ben nog zwevend.’
15.57 uur – Tienray, Zonnehof En? CDA? ChristenUnie? SGP? ‘De Feestpartij! Gaan met die banaan! Zuipen tot we er bij neervallen.’
16.05 uur – Meerlo, ’t Brugeind En? ‘Lijst 22: Splinter.’ Verrassend!
‘Is een strategische stem, hoor. Eigenlijk is Volt mijn partij.’
16.36 uur – Broekhuizenvorst, De Schakel En? ‘Forum voor Democratie. Ik ben het kotsmoe dat ze ons de mond snaren.’ Snoeren. ‘Wat nou “snoeren”?’ De mond snoeren en niet snaren. ‘...’ Waarom loop je nu weg?
16.43 uur – Broekhuizen, Het Brouwershuis En?
‘Partij voor de Dieren natuurlijk. Of zijn die niet voor de paarden?’
16.58 uur – Lottum, De Smetenhof En? ‘Ik had nog wel zo gehoopt dat de Aardbeienpartij zou meedoen.’ Nee, die doet dit keer niet mee. Wat is het dan geworden? ‘De PvdA. Vanwege de rozen.’
17.48 uur – Sevenum, De Kruisweide En? ‘Forum voor Democratie.’ Omdat? ‘Omdat zij zelf hebben gezegd: “FVD is bij uitstek de jachtpartij van
Nederland, en ziet de jacht als noodzakelijk goed.”’
17.54 uur – Sevenum, De Gaper En? ‘CDA.’ Want?
‘Sevenum is een schuttersdorp en gedeputeerde Ger Koopmans is president van de
Oud Limburgse Schuttersfederatie en hij zei dat we op het CDA moesten stemmen.’
17.59 uur – Sevenum, De Wingerd En? ‘Rutte! Geschikte kaerel. Maar nu moet ik waer snel aan de slag.’
18.08 uur – Kronenberg, De Torrekoel En? ‘Lijst 17, nummer 1, Laurens Dassen.’ Volt!
‘Inderdaad, u bent goed op de hoogte.’ Waarom Volt? ‘Zij willen een Ministerie van Digitale Zaken.’
18.18 uur – America, Aan De Brug En? ‘Ach was die goeie ouwe Rooms-Katholieke Partij Nederland van Klaas Beuker
er nog maar.’ Wat is het uiteindelijk geworden? ‘Blanco.’
18.29 uur – Hegelsom, Zaal Debije En? ‘Een ortolaan! Daar! Ik geloof m’n ogen niet!’ Maar op wie heeft u gestemd? ‘Op ôzze Raymond natuurlijk. Iedereen voor Raymond, Raymond voor iedereen.’
18.48 uur – Melderslo, De Zwingel En? ‘De Libertaire Partij.’ Om een bepaalde reden? ‘Die zijn tegen de corona en voor XTC.’
21.51 uur – Griendtsveen, De Zaal En? ‘Teringzooi. Te laat. Wekenlang door de sneeuw lopen baggeren en nu ben
ik godverdegodver 51 minuten te laat.’ Op wie had u willen stemmen? ‘De nummer 24 van de PVV, Daniëlle de Winter.’
In de jaren zeventig en tachtig was je voor de Limburgse amateurvoetbaluitslagen aangewezen op de radio. Meer bepaald op de Regionale Omroep Zuid, de ROZ. Of Omroep Zuid, zoals mijn opa, trouw luisteraar, zei. Zo herinner ik het me: elke zondag klonk om zes uur de van het Limburgs volkslied afgeleide ROZ-begintune (klik op de pijl om de tune te starten).
Daarna een uur lang het sportprogramma. Iets voor half zeven de even irritante als karakeristieke jingle die de amateurvoetbaluitslagen aankondigde: ‘D’amatörs, d’amatörs, d’amatörs voetballe.’ Waarna we konden vertrekken voor een reis door het onmetelijke Limburgse voetballandschap. Die begon met de hoofdklasse C, daarna de eerste klasse F en vervolgens de twee tweede klassen, de drie derde klassen en de acht vierde klassen. Na een reis van een minuut of twintig was de vierde klasse H, waarin ‘mijn’ Wittenhorst doorgaans uitkwam, het eindstation. Onderweg waren we de meest ondoorgrondelijke en exotische clubnamen gepasseerd. Elke zondag opnieuw zat ik aan de radio gekluisterd.
Ik kom hierop omdat ik deze week van Judith Evers de Adreslijst voor het seizoen 1965-1966 van de afdeling Limburg van de KNVB cadeau kreeg (waarvoor zeer hartelijk dank). Taaie kost, zou je denken. Maar niet voor mij. Voor mij was het een feest der herkenning. Ik waande me terug in de jaren zeventig. Al bladerend reisde ik opnieuw door het Limburgse voetballandschap van toen. En stopte bij clubs waarvan ik het bestaan al lang vergeten was. En ook bij clubs waarvan het bestaan al lang verleden is.
Speciale haltes waren natuurlijk de clubs uit de zestien kernen die nu de gemeente Horst aan de Maas vormen. Elk van die kernen had in 1965 nog een eigen voetbalclub, ook Broekhuizen, ook Griendtsveen en zelfs Evertsoord. Opvallend: bijna alle clubs uit Horst aan de Maas zijn in de loop der jaren verhuisd naar een ander sportpark. Verder valt op dat F.C.E.B. (Broekhuizenvorst), Griendtsveen en Kronenberg klaarblijkelijk niet over een geestelijk adviseur beschikten, iets dat destijds nog wel te doen gebruikelijk was.
De verleiding is groot om herinneringen op te halen aan al die zestien clubs en hun accommodaties, maar dan zou het sentimental journey-karakter van dit stukje pas echt tot onaanvaardbare hoogten stijgen. Andere keer misschien. (Laat u trouwens vooral niet weerhouden om zelf wel die herinneringen op te halen).
De adresgids vermeldt over elke club de volgende informatie:
De informatie over de Horster voetbalclubs heb ik gebundeld in één afbeelding (klik om te vergroten):
Na mijn eerste stukje van een week geleden (klik hier) en de reactie daarop van
Floor Hermans (klik hier) nu een derde bijdrage over Rein Bril. Of eigenlijk
niet zozeer over Rein Bril als wel over de kunstscene in Broekhuizen(vorst) in
de jaren zestig en zeventig van de vorige eeuw. Jan Janssen wees me op enkele
publicaties over die kunstscene (waarvoor dank). In de eerste plaats op een
passage uit Broekhuizen toen, een publicatie van Joeps van Hees uit
1984:
‘Het zijn ook de jaren ’50, ’60 en ’70 wanneer Broekhuizen “ontdekt” wordt
door een aantal kunstenaars: diverse beeldende kunstenaars, beroepsmusici,
weefsters, acteurs en theatermensen. (…) Deze “culturele bloeitijd” speelde
zich af rond het Broekhuizense theatertje Mikro Skoop, een idee van de Venlonaren
Hans Conen en Wilmy Peeters. Het theatertje bestond overigens slechts van 1968
tot 1975.’
Links het zogeheten Pelgrimhuis, rechts het pand waarin de Mikro Skoop was gevestigd (bron foto: Broekhuizen toen)
Jan attendeerde me ook op een interview van Thijs Lenssen in Buun 2003
met Wilmy Peeters. Daarin zegt ze over Mikro Skoop:
‘Het was het eerste minitheater van Limburg, we hadden een podium voor
talent op het gebied van toneel, cabaret, muziek, dans en poëzie. Landelijk
bekende artiesten zaten in ons programma: Boudewijn de Groot, Freek de Jonge en
Bram, Liesbeth List, Ramses Shaffy, Lenny Kuhr, Joost Nuissl en zo kan ik nog
even doorgaan. (…) Freek de Jonge heeft eens in zijn blootje door ons huis
gerend. Joost Nuissl woonde een tijd lang bij ons, samen met zijn vriendin,
evenals Theu Boermans.’
Hoe keken de dorpsbewoners eigenlijk tegen de hippie-enclave aan? Wilmy
Peeters:
‘Voor het dorp was het schokkend wat er zich allemaal bij ons afspeelde, wij
vonden het normaal, leefden ons leven. Zou het in de Randstad zijn geweest, dan
was het allemaal nooit zo opgevallen.’
Dagblad De Limburger 2001
Een van de toenmalige buren verklaarde in 2001 tegenover Dagblad De
Limburger:
‘Ik ben nooit binnen geweest. Ik wist dat het vreemde mensen waren. Na een
feestje gingen ze met z’n allen naakt in de Maas zwemmen. En het schaap waar
Wilmy de wol vanaf haalde om te weven (ze maakte onder andere wandtapijten,
waarvan enkele in het gemeentehuis hingen) liep blatend door de straten.’
Joeps van Hees ziet het allemaal een tikkeltje anders:
‘Opvallend is, dat de echte Broekhuizense mensen zich nooit echt verzet
hebben tegen de komst van die “buitendorpsen”: integendeel. De gemeenschap
toonde zich, mits de nieuweling niet te excentriek deed of zichzelf
buitensloot, zeer tolerant; aanvankelijk wat afstandelijk vriendelijk, maar
uiteindelijk op een aangename wijze nieuwsgierig.’
Jan Janssen wees me overigens ook op de betekenis van multitalent Hans Conen
(1944-2019), de voormalige echtgenoot van Wilmy Peeters, die na zijn Mikro
Skoop-periode vooral in Duitsland naam maakte (klik bijvoorbeeld hier en hier).
Daarover misschien een andere keer meer, maar nu nog even terug naar de man
waarmee het begon: Rein Bril. Toen ik vorige week ontdekte dat er een door
Maarten Beks geschreven publicatie over hem bestaat heb ik die natuurlijk
meteen besteld. Rein Bril bevat negen zwartwit afbeeldingen van uit 1969
daterende werken van Bril.
De begeleidende tekst van Maarten Beks is voor mij vaak tamelijk ondoorgrondelijk. Ter illustratie en ter
afsluiting van dit stukje:
‘Het lukt weinig schilders om de ene partij een ergernis, de andere een
dwaasheid te zijn, maar Bril slaagde daar geruime tijd wel in en dat
voornamelijk, dacht ik, door zich te specialiseren in de vervaardiging van
schilderijen, die hij noch iemand anders op dat moment zou kunnen maken.’
‘Heeft iemand meer informatie over Rein Bril en meer in het bijzonder over
zijn Noord-Limburgse tijd?’ Zo besloot ik afgelopen dinsdag het stukje (klik
hier) over de ooit in Castenray en Broekhuizen woonachtige kunstenaar Rein Bril.
Vaak komt er op zo’n vraag geen antwoord. Ditmaal wel, meerdere antwoorden
zelfs. Van Floor Hermans, Jan Janssen en Arie Stas. Laatstgenoemde herinnerde
zich dat hij Rein Bril eind 1978 of begin 1979 in Broekhuizen thuis had bezocht
en maakte woensdag deze foto van dat pand in zijn huidige staat (waarvoor dank):
De reacties van Floor en Jan hebben met elkaar gemeen dat ze niet héél veel
extra informatie over Rein Bril verschaffen, maar wel de broodnodige context. Om
hun reacties recht te doen én om te voorkomen dat dit stukje veel te lang
wordt, verpak ik ze in twee afzonderlijke posts. Een dezer dagen aandacht voor
hetgeen waarop Jan Janssen me attendeerde. Vandaag maak ik de weg vrij voor
Floor, die in een uitvoerige mail en uit de eerste hand een prachtig beeld schetste van de kunstscene in Broekhuizen(vorst) in de jaren zestig en zeventig:
‘Rein Bril is mij wel bekend. Ik heb hem leren kennen toen hij in
Broekhuizen woonde, in een heel groot oud huis op de grens met
Broekhuizenvorst. In Broekhuizen woonden toen meerdere beeldende kunstenaars en
andere alternatievelingen die zich bezighielden met muziek en er was zelfs een
heus theatertje waar de crème de la crème van de Nederlandse kleinkunst
regelmatig acte de présence gaf. Dit theatertje met de naam Mikro Skoop werd
gerund door Hans Conen en zijn vrouw Wilmy Conen-Peeters. Wilmy maakte ook enorme
abstracte wandkleden van schapenwol die ze zelf geverfd had met natuurlijke
kleurstoffen. Hans gaf les in Venlo, runde het theater en initieerde diverse
kunstprojecten die nogal opzien baarden. Zo reed hij bijvoorbeeld rond in een
auto die er uitzag als een ruimteschip met grote glazen koepels op het dak.
Behalve uit Rein Bril bestond het contingent beeldend kunstenaars uit meerdere
personen die ik me op dit moment niet allemaal herinner maar waarvan Mathieu
Knippenbergh en Toon van de Ven de bekendsten zijn. In Broekhuizenvorst hadden Lydia
Luyten (naaldkunstenares) en Joop Sorky (beroepsactivist en provo van het
eerste uur) zich gevestigd in een onbewoonbaar verklaarde woning op de grens
met Swolgen. Zij kwamen uit Amsterdam.
Lydia Luyten met haar zoon Milo voor haar onbewoonbaar verklaarde woning aan de Krienestraat in Swolgen (foto afkomstig uit een dagboekje van Lydia Luyten)
Bijna iedereen maakte gebruik van de toentertijd geldende contraprestatieregeling
voor beeldende kunstenaars die voorzag in een uitkering op bijstandsniveau. Om
voor deze regeling in aanmerking te komen werd je werk beoordeeld door een
commissie en als die haar fiat gaf bepaalde die tevens hoeveel daarvan je moest
inleveren bij de gemeente om die uitkering min of meer te compenseren (contraprestatie).
Op het gemeentehuis en bij de sociale dienst kwam je het overal tegen en de
rest verdween in de kelders van het gemeentehuis. Ik acht het zeer
waarschijnlijk dat zich in het depot van de gemeente Horst aan de Maas ook werk
van Rein Bril bevindt.
Rein Bril (foto afkomstig uit Maarten Beks, Rein Bril)
Verder noem ik Joost Nuissl (hij woonde in Broekhuizenvorst) die enorm veel
succes had met ‘Ik ben blij dat ik je niet vergeten ben’, dat tot stand kwam in
samenwerking met de Vorster fanfare en Martijn Alsters, de fluitist, alsmede
Nard Reijnders, saxofonist bij Herman van Veen, componist en muziekproducent.’
Het oneindige laagland tussen Leunen en Castenray is niet bepaald het mooiste wat Noord-Limburg te bieden heeft. Akkers, stallen en her en der wat boerderijen, dat is het wel zo’n beetje. Geen omgeving waar je moderne kunst verwacht. Toch zou het zomaar kunnen zijn dat hier mijn eerste kennismaking met dit fenomeen heeft plaatsgevonden.
Zo is het verankerd in mijn geheugen: begin jaren zeventig, ik ben een jaar of 6, rijd ik met mijn vader over de doorgaande weg van Leunen naar Castenray. Iets voorbij bushalte Het Schoor staat aan de rechterkant van de weg een bordje met het opschrift ‘Expositie’. We volgen het bordje en komen uit bij een oude boerderij. Daar woont Rein Bril, kunstenaar. Daar ook eindigt mijn herinnering. Hebben we de expositie bezocht? Hebben we Rein Bril gesproken, zijn werk gezien? Of kwamen we aan een gesloten deur? Soms zou je willen dat je herinneringen wat minder vaag zijn.
Ik kon die boerderij daarna nooit meer passeren zonder de gedachte aan Rein Bril. Daar bleef het dan vervolgens ook bij. Totdat ik er laatst weer eens aan voorbijkwam. Na thuiskomst besloot ik een internetonderzoekje aan Rein Bril te wagen. Wie is of was Rein? Wat voor werk maakt(e) hij? Hoe raakte hij in die boerderij verzeild? Waarom en wanneer vertrok hij er weer? Exposeerde hij er inderdaad begin jaren zeventig?
Mijn hoop op internet zijn volledige levensverhaal aan te treffen bleek ijdel. Ik moet het doen met wat snippers. Samengevat: Rein Bril werd in 1945 geboren in het Groningse Usquert en overleed in 2012 in het Friese Twijzel, waar hij een beeldentuin had. Hij heeft op een aantal plaatsen gewoond, zo ook in Castenray, waar hij in 1970 of 1971 ‘mijn’ in vervallen staat verkerende boerderij (‘Vens Pláts’) kocht van Mia Weijs. In 1976 zou hij in Broekhuizenvorst hebben gewoond. 1978: ‘In Galerie Libra in Broekhuizen exposeert schilder-tekenaar Rein Bril. De galerie wordt gerund door zijn vrouw.’
Hij maakte driedimensionaal werk, schilderijen, aquarellen en pentekeningen. Zijn werk werd vanaf 1965 op tal van plaatsen geëxposeerd. In het Franse Gondrin vond in 2016 zelfs een postume solo-expositie plaats, een voortvloeisel uit een lang verblijf in Frankrijk. Twee jaar eerder was werk van hem te zien op een expositie in het Venrays Museum.
De vader / warrior, 2005; klik hier voor bron foto
Heeft iemand meer informatie over Rein Bril en meer in het bijzonder over zijn Noord-Limburgse tijd? Laat het me svp weten via horstsweethorst@gmail.com!
(Dit stukje verscheen op 16 september 2020 in iets andere vorm in Via Horst-Venray)
Zeker de afgelopen weken met al dat wandelen passeer ik het straatnaambordje
vrijwel dagelijks.
Ik zie het – de betekenis laat ik nooit tot me doordringen. Oorlogsslachtoffer,
ja. Maar hoe, wat, waar, waarom? Toch eens een digitaal mini-onderzoekje aan wagen. Ziehier het
resultaat.
Piet (Peter Johannes) Litjens werd op 18 maart 1905 in Meterik geboren. De
boerenknecht, vrijgezel, zwaaide in 1926 af als dienstplichtig militair. Toen
in 1939 de oorlogsdreiging almaar toenam, ontkwam ook Piet niet aan de
mobilisatie. Met tegenzin meldde hij zich bij zijn bataljon, nadat hij een dag
eerder nog de hele avond met zijn schoonzus had gedanst op de Horster kermis.
Wat er al een tijdje aan zat te komen gebeurde in de vroege ochtend van 10 mei
1940: Duitse troepen vielen Nederland binnen. Piet bevond zich met zijn bataljon
van een infanterieregiment in Katwijk aan de Maas, nabij de spoorbrug die Cuijk
met Mook verbindt. De brug was een Duits doelwit. Op de Mookse oever probeerden
Duitse militairen de brug in handen te krijgen, op de Cuijkse oever probeerden
Nederlandse militairen dit te voorkomen. Dit gebeurde vanuit de bewaard
gebleven kazemat 115S en de loopgraven in de nabijheid daarvan. Piet Litjens
bevond zich in een loopgraaf. Tot tweemaal toe wisten de Nederlanders een
Duitse aanval af te slaan. Omstreeks elf uur kreeg de bunker een voltreffer van
een 8,8 cm granaat te verwerken. In de bunker werd sergeant Pierre Clevis uit
Broekhuizenvorst gedood en in de aanpalende loopgraaf werd Piet zwaar
getroffen. Hij overleed nog dezelfde dag aan zijn verwondingen.
Piet werd begraven op het kerkhof van Meterik. Zijn nicht Truus van
Rensch-Litjens in 2013 in Trouw: ‘We gingen een paar keer per jaar naar zijn graf om
er een bloemetje op te zetten en het verder te verfraaien. Eerst deed ik dat
samen met mijn moeder en later met mijn man en mijn zusje. Ome Piet leefde bij
ons voort als een echte militair, die voor het vaderland en onze vrijheid heeft
gevochten. Hij heeft er niet om gevraagd om op deze wijze te sterven. Daarom
blijven wij hem eren. Maar wij worden ouder en kunnen het graf niet eindeloos
blijven onderhouden.’ Op verzoek van zijn familie kreeg Piet daarom in 2013
een herbegrafenis op het Militaire Ereveld Grebbeberg in Rhenen. Truus van
Rensch-Litjens: ‘Dat vinden wij eervol, zo wordt hij nooit vergeten.’
Op zijn gedachtenisprentje staat vermeld: ‘Al is het waar dat het roemvol is dapper
en strijdend te sterven voor zijn dierbaar vaderland, toch wekt zulk een sneuvelen
in de beste jaren des levens droefheid en deernis.’ (Gebaseerd op de websites van Stichting Heemkunde Meterik, het Ministerie van Defensie, de Oorlogsgravenstichting en Trouw. Ook de tweede, derde en
laatste afbeelding zijn afkomstig uit deze bronnen.)