Posts tonen met het label Mèrthal. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Mèrthal. Alle posts tonen

maandag 17 maart 2025

Intermezzo – Voormalige vuilstortplaatsen (2) | Gasthoêskoel

Koel betekent in het Horster dialect niet alleen ‘koel’ en ‘kuil’ maar ook ‘poel’. Ook schuin tegenover het huidige Gasthoês bevond zich zo’n koel, die – hoe verrassend – Gasthoêskoel werd genoemd.


Op deze foto uit 1931, genomen vanaf de Bakensmolen, is links een deel van de Gasthoêskoel te zien. Verder op de voorgrond de textielfabriek van de gebroeders Rutten, daarachter het Gasthuis (nog zonder kapel) en daar weer achter het ursulinenklooster en de Sint-Lambertuskerk.


Op bovenstaande kaart uit 1895 is de koel ook al ingetekend. Getuige onderstaand krantenbericht uit 1908 werd de Gasthoêskoel in elk geval gebruikt om de was in te doen:


Terzijde: het bericht illustreert perfect de betekenis van het dialectwoord wâswiêf. Terug naar de Gasthoêskoel: er zal in en rondom de poel ongetwijfeld veel plezier zijn beleefd, toch is de koel in krantenberichten vrijwel uitsluitend terug te vinden als er sprake is van incidenten. Meestal hadden die een goede afloop, zoals hierboven en ook in 1906


en in 1911, toen een op de poel schaatsende jongen door het ijs zakte.


In 1918, toen opnieuw een jongen bij het schaatsen door het ijs zakte, liep het minder goed af:


De was doen, schaatsen, zwemmen misschien, maar hoe zit het dan met de Gasthoêskoel als vuilstortplaats? Het lijkt erop dat in de jaren twintig voor het eerst stemmen opgingen om de koel te dempen. In mei 1931 was het zover. Het dempen verliep op bijzonder praktische wijze: de gemeente wees de Gasthoêskoel samen met de Middelijksekoêl aan als locatie voor het storten van puin en huisvuil, zodat de koel geleidelijk zou verdwijnen.


Binnen twee jaar moet het karwei al zijn geklaard, blijkt uit krantenberichten waarin sprake is van ‘de gedempte Gasthuiskuil’. Een voorstel om het perceel vervolgens in te richten tot woonwagenkamp haalde het niet. Het duurde tot 1937 voordat een bestemming werd gevonden: op 18 maart van dat jaar besloot de gemeenteraad tot de bouw van een veemarkthal ter plekke. Die was nog voor het einde van het jaar gerealiseerd (kom daar nu nog maar eens om).

woensdag 26 februari 2025

Intermezzo – Vooroorlogs carnaval

‘Vastenavond 1929’ staat met potlood achterop deze uit het familiearchief opgeduikelde foto vermeld. De enige persoon die ik erop herken is mijn toen twintigjarige oma, zittend links, met een beer op haar schoot. Alle twaalf vastenavondvierders zijn verkleed én goedgemutst; alleen de mannen zijn geschminkt, zij het lichtjes. Op het programma waarschijnlijk een bezoek aan een van de vele cafés in de Herstraat, waar mijn oma woonde.


In een podcast hoorde ik een dezer dagen iemand verwijzen naar een citaat uit Deconstructing Harry, een film van Woody Allen: ‘Tradition is the illusion of permanence.’ Ofwel: ‘Traditie is de illusie van permanentie.’ Ofwel: alles verandert, niets blijft hetzelfde. Dit geldt ook voor carnaval. Ja, verkleden, schminken en cafébezoek behoren nog steeds tot de carnavalsrituelen, maar verder doet de hedendaagse viering van carnaval nauwelijks nog denken aan de vooroorlogse.

De in 1911 in Horst geboren Sjang Hoeijmakers noteerde in Die goeie ouwe tijd – Het leven in een Peeldorp omstreeks 1900:
‘Het carnaval werd nog maar alleen in de steden gevierd. Overigens sprak men toen nog niet van carnaval maar van “vastelavond”. In sommige dorpen werden met vastelavond volksfeesten georganiseerd, dikwijls zeer tot ongenoegen van de geestelijkheid, die in die dagen de kerk vol wilde hebben van ’s morgens vroeg tot ’s avonds laat voor het “veertigurengebed”. Ons werd dan verteld dat we moesten komen bidden voor die mensen, die wèl carnaval vierden.’
Illustratief in dit verband zijn berichten uit de Nieuwe Venlosche Courant van 2 maart 1911


en van 26 februari 1914:


Vooroorlogs vastenavondsvermaak in Horst en omgeving bestond voor een deel uit nu potsierlijk aandoende evenementen als een tentoonstelling van ‘de nuttige en fraaie handwerken der meisjes en van het fröbelwerk der bewaarschool’ in het klooster van de zusters ursulinen (bijvoorbeeld in 1917 en 1930), de eerste Sevenumse middenstandstentoonstelling in het plaatselijke patronaat in 1937 en een jaar later de eerste Horster middenstandstentoonstelling in de Mèrthal.  


Was het dan een rebelse daad van mijn oma en haar elf metgezellen om vastenavond te vieren? Nee, dat ook weer niet. Maar carnaval was beslist nog niet het grote volksfeest dat het nu is. Van een strakke organisatie met een lange reeks van festiviteiten en door iedereen geëerbiedigde protocollen was in elk geval nog geen sprake. Wat niet betekent dat het vooroorlogse vermaak zich uitsluitend tot tentoonstellingen beperkte. Hier en daar was er genkrijden (gans trekken) en in cafés werd gekaart en gedanst. Ook vonden op de vastenavonddagen wel gekostumeerde voetbalwedstrijden, toneelvoorstellingen en ‘komische voordrachten’ plaats.


Een bijzonder spektakel moet zich op carnavalsmaandag en -dinsdag in 1935 in Hegelsom hebben afgespeeld:


Of de antieke hangklok en/of De Mijnwerker van Jan Toorop nog steeds een Hegelsomse huiskamer siert? Barak is overigens een aan biljarten verwant spel.

donderdag 26 augustus 2021

Intermezzo – Dwarsdoorsnede (4)

Vierde etappe van een wandeling van Vredepeel naar Grubbenvorst, diagonaal door de gemeenten Venray en Horst aan de Maas. De etappe van vandaag begint bij de Lollebeek, op de grens van beide gemeenten, en eindigt bij het Sint-Annakapelletje in Horst.

Passage van de Lollebeek, de grens tussen Venray en Horst aan de Maas. Even een onbelemmerd zicht op de wijde omgeving totdat de Schadijkse Bossen opdoemen. ‘De Schaak’ in dialect. Erkend eldorado voor mountainbikers. Vandaag houden ze zich schuil. Zoals deze hele wandeling al nagenoeg mensenvrij is. Ook wel eens aangenaam.


Doorkruisen van de bossen en dan het majestueuze uitzicht over het immense Meterikseveld. Eeuwenoud cultuurlandschap, waaraan is en wordt geknabbeld maar dat toch min of meer heeft weten te overleven. Zonde dat vrijwel niemand nog in staat is dit landschap te lezen: kennis vergroot het draagvlak voor behoud.


Aan de Sint Maartensweg bevochtigt een sproeimachine een klein stukje akker. Plus de weg over de hele breedte en een lengte van wel honderd meter. Plus de beide wegbermen. Plus een weiland aan de overzijde van de weg. Agrarische arrogantie ten top. Waag het niet er iets van te zeggen, want dan belemmer je de boer in zijn bedrijfsvoering. Waanzin. Op een drafje deze uiterst lokale stortbui weten te doorstaan.


Diagonale oversteek van het Meterikseveld. Aan de Afhangweg, op de grens van Meterik en Horst, het Sint-Luciakapelletje. Meer kapelletjes dan mensen op deze wandeling. Deze is uit 1783, toegewijd aan Lucia, beschermheilige tegen besmettelijke ziekten. Toen tegen dysenterie, ook wel bloedloop geheten. Werkt het trucje met beschermheiligen nog steeds? Heeft het ooit gewerkt? Getuige de aangebrachte devotionalia zijn het vooral Poolse arbeidsmigranten die er nog in geloven. Of op hopen.


Langs de Kabroeksebeek richting centrum van Horst, de enige dorpskern die mijn diagonale lijn van Vredepeel en Grubbenvorst doorsnijdt. Zelfs het Horster centrum oogt uitgestorven. Tussen ’t Gasthoês (links) en de Mèrthal (rechts) door. Opgevangen gerucht: de Mèrthal gaat plaatsmaken voor woningbouw. Het zal toch niet?


Industrieterrein. Met een Poolse auto garage. Teken des tijds. Blijkbaar is er een markt voor. Over tien, twintig jaar nog steeds? Dan het volgende kapelletje, het Sint-Annakepelke. Oud, heel oud. Gelegen op een terp, omringd door linden. Nauwelijks vijftig jaar geleden torende het kapelletje nog fier boven de omringende akkers uit. Nu is het weggestopt. Daarover klagen mag niet, wees blij dat het er überhaupt nog is. Jaja.


(Dit stukje verscheen gisteren ook in Via Horst-Venray, zij het zonder foto’s. Klik hier, hier en hier voor de eerste drie etappes van deze wandeling.)

zondag 22 maart 2020

Top 5 – Nieuwe parkeerplekken in het centrum van Horst die wérkelijk soelaas bieden

Even iets anders: in reactie op de Horst-sweet-Horst-serie over openbare boekenkasten vroeg gisteren iemand of we in Horst aan de Maas ook nog wat anders doen dan lezen. Jazeker doen wij hier nog wat anders: parkeren. Mits daar voldoende ruimte voor is. In De Limburger pleitte Jan Nabben gisteren namens het Centrummanagement voor méér parkeergelegenheid in het Horster centrum. Het artikel telde 589 woorden, Horst-sweet-Horst kort het hier in tot 154 woorden:  

‘Nabben: „Op dit moment ligt er een tijdelijke parkeerplaats achter het Koetshuis. Die veertig plekken daar moeten wat ons betreft permanent worden.” In de visie van het Centrummanagement staat verder dat deze parkeergelegenheid moet worden doorgetrokken tot aan de plek waar nu nog garage Peeters ligt. Nabben zegt dat de gemeente dat pand moet opkopen, zodat het plaats kan maken voor nog meer parkeerplaatsen. Mocht de Horster gemeenteraad besluiten dat zwembad De Berkel en de sporthal toch verplaatst moeten worden, dan wil het Centrummanagement dat er ook in deze hoek extra parkeerplaatsen bij komen. Een andere plek waar de Horster gemeenteraad nog een definitief besluit over moet nemen, is de locatie rond de Weisterbeekschool. Maar áls deze plek vrijkomt, ziet het Centrummanagement (sociale) woningbouw en parkeren daar heel erg zitten. Daarnaast moet de gemeente ervoor zorgen dat het KPN-gebouw bij parkeerplaats Kerkeveld aangekocht kan worden, zodat het plaats kan maken voor nog meer parkeerplaatsen.’
De woorden van Nabben zijn tegen het zere been van Guido van Koningsbroek, hoogleraar Parkeerfacilitologie aan de universiteit van Maastricht: ’Met alle respect, maar de heer Nabben onderschat de ernst van de situatie. Momenteel bestaat het centrum van Horst voor 89,9 procent uit parkeerplaatsen. Zouden de plannen van het Centrummanagement werkelijkheid worden dan stijgt dat slechts naar 91,1 procent. En dat is bij lange na niet voldoende: uit alle onderzoeken blijkt dat voor een vitaal Horster centrum minimaal 96,3 procent van het oppervlak in beslag moet worden genomen door parkeerplaatsen.’


Ondanks de penibele omstandigheden bleek professor Van Koningsbroek bereid vanochtend naar Horst af te reizen. Samen met Horst-sweet-Horst maakte hij een wandeling door het goeddeels verlaten Horster centrum. Op basis daarvan kwam hij tot de volgende top 5 van nieuwe parkeerplekken in het centrum van Horst die wérkelijk soelaas bieden:  

5. Gemeentehuis


Van Koningsbroek: ‘Het gemeentehuis amoveren zorgt niet alleen voor meer parkeergelegenheid, maar maakt het ook weer mogelijk om op het Wilhelminaplein te parkeren.’

4. Kercke Veld State


Van Koningsbroek: ‘Die naam alleen al maakt me bijkans onpasselijk. Blunder van de eerste orde om juist op die plek woningbouw toe te staan. Als de wiedeweerga weg ermee!’

3. Mèrthal


Van Koningsbroek: ‘Historie? Ammehoela! Denk je eens in wat hier een krachtig parkeerlandschap zal ontstaan na de sloop van sporthal en zwembad. Die hele Mèrthal is Schnee von gestern.’

2. Sint-Lambertuskerk


Van Koningsbroek: ‘Afbreken tot de laatste steen, die puist. Tovert Kloosterhof om tot een idyllisch eiland in een zee van parkeerplaatsen en zal het zielloze Lambertusplein doen bruisen.’

1. ‘t Gasthoês


Van Koningsbroek: ‘Gewoon omduwen die hap nu het nog kan. Cultuur vindt z’n plaats wel in de periferie. Ben je ook meteen af van het gezeik over het Gasthoêsplein en de verkeerscirculatie.’

donderdag 12 december 2019

Intermezzo – Mèrthal

Soms is het niet onaangenaam als je chauvinisme wordt gekieteld. Soms ook is het goed als je chauvinisme een mokerslag krijgt toegediend. Alleen al om deze beide redenen was het bijwonen van de lezing van Ton van Mastrigt gisteren in De Leste Geulde een genoegen. De Heerlense architect en stedenbouwkundige hield op uitnodiging van het LGOG een inleiding over Frits Peutz (1896-1974),


architect van wereldfaam, die vooral in Heerlen zijn sporen heeft nagelaten, met warenhuis Schunck (‘Het Glaspaleis’) als bekendste voorbeeld.


Maar Peutz was ook buiten de Mijnstreek actief. Ja – hier werd dat chauvinisme gekieteld – zelfs in mijn eigen Horst. En dus speelde de Mèrthal, want om dat gebouw gaat het, een prominente bijrol in de lezing. Kort door de bocht geformuleerd was de stelling van Ton dat Peutz geen moderne architect was, maar een architect die (ook) modern heeft gebouwd. Hij staafde dit met voorbeelden van zowel naar het traditionele neigende als modernistische gebouwen van Peutz. De Mèrthal, daterend uit 1937, schaarde hij daarbij onder zijn meer traditionalistische scheppingen. 


Dat Peutz ontwerper is van de Mèrthal, is al langer bekend, zij het in (te) kleine kring. Ton stipte de nodige feitjes aan: dat de Mèrthal 50 bij 20 meter meet, dat het vee er in vier rijen stond opgesteld, dat er onder de luifels ook nog plaats was voor vee, dat het gebouw zakelijk oogt, dat het oorspronkelijk de bedoeling was het in beton uit te voeren, dat de luifels, de nok en de massieve gesloten dakvlakken het meest in het oog springen.


De verschijningsvorm van de Mèrthal doet enigszins denken aan die van een kerk, ze functioneerde na de Tweede Wereldoorlog ook jarenlang als noodkerk. Interessante vraag die Ton opwierp: liet Peutz zich bij zijn ontwerp inspireren door de kerkvorm of ging hij verder terug, naar de markthal (basilica) uit de tijd van de Romeinen, die aan de basis stond van de latere vorm van kerken?


Ton roemde vooral de ‘ingenieuze kapconstructie’ van de Mèrthal met haar dertien spanten en haar opgehoogde gedeelte, bedoeld om meer licht binnen te halen. Des te schrijnender dat juist dat onderdeel van het gebouw tegenwoordig door draperieën aan het zicht onttrokken is. Bovendien staan de draperieën de toetreding van daglicht in de weg.


‘Daarmee ontdoe je het gebouw van zijn essentie’, aldus Ton, mijn chauvinisme een mokerslag toedienend.

maandag 1 juni 2015

Top 5 – In de gids ‘Architectuur in Noord- en Midden-Limburg 1900-2000’ volstrekt ten onrechte ontbrekende Horster gebouwen

In een reactie op het eerste stukje over het pompstation in Lottum (klik hier) citeerde Jarvin van de Ven onlangs uit Architectuur in Noord- en Midden-Limburg 1900-2000. Ik had deze gids wel eens ingezien, maar om de een of andere reden nooit aangeschaft. Dat foutje heb ik nu alsnog gecorrigeerd.
Architectuur in Noord- en Midden-Limburg 1900-2000 bevat korte beschrijvingen plus foto’s van 277 panden, gebouwd tussen 1900 en 2000 en gelegen tussen Molenhoek en Koningsbosch. ‘De gids beoogt een bescheiden weg van begrip te banen door de twintigste-eeuwse architectuur in Noord- en Midden-Limburg’, schrijft Harry Tilmanns in de inleiding. Wat mij betreft draagt de gids zeker bij tot dat begrip. Desalniettemin heb ik er ook twee grote bezwaren tegen: de buitenproportionele aandacht voor de twintigste-eeuwse Venrayse architectuur en de totale Vernachlässigung van Horst. Enig lokaal chauvinisme mag me misschien parten spelen in dezen, maar u bent het zelfs als Venraynaar hopelijk toch met me eens dat de drie (3) in de gids vermelde panden in de kern Horst wel heel erg schril afsteken tegen de zesendertig (36!) in de kern Venray? Als je niet oplet, zou je er als Horstenaar nog een minderwaardigheidscomplex van krijgen ook.
Venray laat ik verder voor wat het is; ik wil me concentreren op (de kern) Horst. Is hier in de twintigste eeuw behalve de Sint-Lambertuskerk, jeugdcentrum De Vlies en benzinestation en oliehandel Vissers dan werkelijk niets gebouwd dat het vermelden waard is? ‘Om de dooie dood niet!’, durf ik te zeggen – zelfs als leek op architectuurgebied. Het Groene Kruisgebouw aan de Venrayseweg, diverse scholen, het voormalige Rabobankgebouw aan de Jacob Merlostraat, enkele villa’s aan de Gasthuisstraat en Herstraat, de woningwetwoningen aan de Harrie Driessenstraat en de Berkelstraat, de (voormalige) winkelpanden aan de Gebroeders van Doornelaan, de fabriekshal van Douven aan de Americaanseweg: stuk voor stuk zouden ze niet hebben misstaan in de gids. En weet u? Genoemde panden behoren nog niet eens tot de Horst-sweet-Horst top 5 van de in Architectuur in Noord- en Midden-Limburg 1900-2000 volstrekt ten onrechte ontbrekende Horster gebouwen! Welke panden daar dan wel toe behoren? Deze:

5. Woonhuis Meterikseweg 153
Ach, het hoeft niet per se déze woning te zijn – deze was nu eenmaal het snelst gefotografeerd – maar één van de door de lokale architect Joop Esselaar (1934-1997) in de jaren zeventig ontworpen Horster woningen had beslist een plaatsje verdiend in de gids. Allemaal onmiddellijk herkenbaar aan hun vormgeving, hun MBI-bouwsteen, hun afgewogen kleurgebruik en hun splitlevels. Ook aan de Venrayseweg liggen enkele door Joop Esselaar ontworpen woningen.  

4. Sint-Norbertuskerk (foto overgenomen uit: J. van Hegelsom, Sint Norbertus in het zilver. Terugblik, in dank, met weemoed (Horst 1987) 14)
Het jongere en misschien daardoor vaak wat verwaarloosde broertje van de Sint-Lambertuskerk. Ontworpen door Hans Koldewij (1924-1977), gebouwd door Haegens & Martens, ingewijd in 1964. Ademt met haar onopgesmukte vormgeving de geest van het modernisme. Prachtig ingepast in de omgeving.

3. Sint-Antoniusziekenhuis
Ik had ook de verpleegstersflat kunnen noemen, eveneens in de tweede helft van de jaren zestig ontworpen door het Maastrichtse architectenbureau Swinkels Salemans uit Maastricht. Zoals eerder gezegd: triest dat zelfs maar de gedachte dat het gebouw misschien wel het behouden waard was nooit in de hoofden van onze vroede vaderen is opgekomen.En zie wat ervoor in de plaats is gekomen.

2. Mèrthal
Uit 1937. In welke rol precies is nog altijd onduidelijk, maar dat de grote Frits Peutz (1896-1974) bij het ontwerp betrokken was, staat vast. Markant en uniek. Mooi of lelijk? Doet niet ter zake. 

1. Gebouw Mooren
Niet alleen de Twin Towers, maar ook ‘de witte raaf van Horst’ en ‘het Horster glaspaleis’ genoemd. Ontworpen door de Horster architect Lei Martens (1932-1978), op 15 september 1960 geopend. Eind maart van dit jaar verscheen Limburg – een geschiedenis, een monumentaal driedelig werk over de geschiedenis van Limburg. Meer dan 1600 pagina’s – welgeteld één ‘Horster’ foto. Mag u raden waarvan.

maandag 6 oktober 2014

Klein mysterie 592 – Mèrthal

Leopold Post zette de toon. Hij plaatste immers op 22 september een foto van de Markthal in Rotterdam op z’n Facebookpagina.
Daarna begon het door architectenbureau MVDRV ontworpen gebouw aan een triomftocht door heel Nederland. Geen enkel zichzelf respecterend medium liet na erover te berichten. Superlatieven schoten tekort om het 34 meter hoge gebouw de hemel in te prijzen. NRC Handelsblad wijdde er vorig weekeinde zelfs een speciale bijlage aan. Citaat uit een artikel van Bernard Hulsman: ‘De markthal is een negentiende-eeuws gebouwtype dat Nederland nauwelijks kent. Zeker, Amsterdam heeft zijn Centrale Markthallen uit 1934. Maar dit kloeke bakstenen gebouw in west is alleen bedoeld voor groothandels. Markthallen van gietijzer en glas voor het grote publiek, zoals vrijwel alle Franse en Spaanse grote steden en ook oude Engelse industriesteden hebben, kent Nederland niet. “Ondanks het regenachtige klimaat zijn Nederlandse markten van oudsher in de openlucht”, zegt [projectontwikkelaar] Schröder.’
Als ik zoiets lees, zou ik m’n vinger willen opsteken om met gepaste trots te zeggen: ‘Maar meneer Hulsman en meneer Schröder, u kent hopelijk toch wel de Mèrthal? Onze Horster Mèrthal, waarvan sommigen beweren dat ze Maerthal zou moeten heten, maar met zulke dialectologische haarkloverijen zal ik u niet vermoeien. Onze Horster Mèrthal, in 1937 gebouwd als veemarkthal die Horst moest doen opstomen in de vaart der volkeren.
Onze Horster Mèrthal, opgetrokken in hout en ontworpen door de grote Frits Peutz, van wie ik u als architectuurkenners natuurlijk niet hoef te vertellen dat hij verder onder meer het vermaarde Glaspaleis in Heerlen op z’n naam heeft staan. Onze Horster Mèrthal, die na de Tweede Wereldoorlog onder veel meer fungeerde als noodkerk, als sporthal en als eerste onderkomen voor de Hiltho, de Horster huishoud-, industrie- en landbouwbeurs.
Onze Horster Mèrthal, waarvoor ruim tien jaar geleden afbraak dreigde, die echter kon worden voorkomen omdat half Horst daartegen in het geweer kwam. Onze Horster Mèrthal, die daarna voorbeeldig werd gerestaureerd, al zou je enige bedenkingen bij die lichtgroen opgeschilderde onderdelen kunnen hebben (maar een nieuwe verflaag is in een vloek en een zucht aangebracht). Onze Horster Mèrthal, die een van de architectonische pronkstukken van ons dorp is. Die Mèrthal, meneer Hulsman en meneer Schröder, die Horster Mèrthal, die kent u hopelijk toch wel?’ 
Om dat allemaal te zeggen, zou ik dus m’n vinger willen opsteken. Toch zie ik daar vanaf. Waarom? Vanwege dit wanstaltige gevaarte:
Staat daar al maanden de Mèrthal, onze Horster Mèrthal, te ontsieren. Zeg nou zelf: daar kun je toch niet mee aankomen bij de heren Hulsman en Schröder? Ze zouden me geheid recht in m’n gezicht uitlachen. Vuilnisman, kan dat wanstaltige gevaarte ook mee?