‘Het aansteken van de lantarens gebeurt ook altijd niet op tijd. Soms, als
de maan wat laat opkomt, zitten we tot acht of negen uur in het donker. We
moesten den aansteker per avond betalen.‘
‘Dan konden de lantaarns ook wel eens te dikwijls aangestoken worden. Me dunkt, het ware voldoende als de burgemeester hem er eens ter dege op wees het altijd goed te doen.’
Gedachtewisseling in de raadsvergadering van de gemeente Horst van 21 augustus 1905 tussen de raadsleden Hoogers en Van Daal, overgenomen uit De Zuid-Willemsvaart van twee dagen later. Ze illustreert perfect dat je het als lantaarnopsteker (ook wel lichtopsteker geheten) nooit goed kon doen. De lantaarnopsteker was de man die op olie of gas werkende straatlantaarns – althans in Horst – van september tot mei aanstak als het donker begon te worden en – althans in Horst – omstreeks elf uur ’s avonds weer doofde. Hij deed dat aanvankelijk met behulp van een ladder en later met behulp van een stok. Horst kreeg vermoedelijk omstreeks 1880 zijn eerste lantaarnopsteker. Dit was (en bleef) een bijbaantje.
Aan de eis van raadslid Van Daal aan de lantaarnopsteker ‘het altijd goed te
doen’ kón de goede man gewoonweg niet voldoen: rond 1905 telde de kern Horst
omstreeks dertig straatlantaarns. Er ging tijd overheen om die allemaal aan het
branden te krijgen en weer te doven. Die wetmatigheid scheen sommige raadsleden
te ontgaan, want bijna jaarlijks was er geëmmer over het te vroeg of te laat en
het te kort of te lang branden van de straatlantaarns.
De gedetailleerde geschiedenis van de straatverlichting en de lantaarnopstekers
in Horst is nog grotendeels in duisternis gehuld. Wat vaststaat: hoewel al in 1907
werd gesproken over de introductie van elektriciteit in Horst, duurde het tot eind
1918 voordat het daadwerkelijk zover was. De straatlantaarns werden vervolgens aangesloten
op elektriciteit en daarmee werd de functie van lantaarnopsteker overbodig. Jos
Lucassen, lantaarnopsteker sinds 1908, kreeg per 1 januari 1919 eervol ontslag.
‘Dan konden de lantaarns ook wel eens te dikwijls aangestoken worden. Me dunkt, het ware voldoende als de burgemeester hem er eens ter dege op wees het altijd goed te doen.’
Gedachtewisseling in de raadsvergadering van de gemeente Horst van 21 augustus 1905 tussen de raadsleden Hoogers en Van Daal, overgenomen uit De Zuid-Willemsvaart van twee dagen later. Ze illustreert perfect dat je het als lantaarnopsteker (ook wel lichtopsteker geheten) nooit goed kon doen. De lantaarnopsteker was de man die op olie of gas werkende straatlantaarns – althans in Horst – van september tot mei aanstak als het donker begon te worden en – althans in Horst – omstreeks elf uur ’s avonds weer doofde. Hij deed dat aanvankelijk met behulp van een ladder en later met behulp van een stok. Horst kreeg vermoedelijk omstreeks 1880 zijn eerste lantaarnopsteker. Dit was (en bleef) een bijbaantje.


Geen opmerkingen:
Een reactie posten