Als kind ging ik op zondagochtend steevast en rundje ri-je met m’n vader.
We hadden een min of meer vaste route: de Paes, de Schaak, het gebied waar nu Loohorst
ligt (waar het stikte van de konijnen), het Grauwveen en ten slotte de Peel tussen
Griendtsveen en Helenaveen. Stapvoets over onverharde wegen die inmiddels alweer
decennialang ontoegankelijk zijn voor gemotoriseerd verkeer. We zagen vogels
die je in deze regio tegenwoordig niet of nauwelijks meer ziet. Denk aan de wulp,
de grutto, de patrijs. Andersom kan ik me niet herinneren dat we toen ook maar
één keer een grote zilverreiger (‘witte reiger’), een ooievaar of een raaf zijn
tegengekomen, vogels die vandaag de dag in deze contreien redelijk algemeen
zijn.
Een zeldzame verschijning in die tijd was de Haematopus ostralegus ofwel scholekster. Waarschijnlijk vanwege z’n zeldzaamheid én z’n oranjerode snavel was de scholekster – samen met de wulp (vanwege z’n naam en z’n gekromde lange snavel) – mijn favoriete vogel. Hoewel de scholekster hier tegenwoordig in groteren getale voorkomt en intussen de raaf voor mij aan de top van het vogelrijk staat, is mijn fascinatie voor de scholekster nooit verdwenen.
Wat bijdraagt aan mijn sympathie voor de scholekster, is dat ik altijd een beetje
met ‘m te doen heb. Misschien ontmoet ik ‘m op de verkeerde momenten, maar in
mijn nabijheid brengt-ie doorgaans een luid, schel, hoog, piepend geluid voort.
Laatst ook weer toen een luidruchtig koppel me op de Spoorweg in Hegelsom hoog
in de lucht passeerde. Wat was er aan de hand? Had het te maken met mijn
aanwezigheid? Waren ze boos, bang, verontrust, nerveus? Of is dit een te menselijke
interpretatie? Kan het zijn dat wat ik voor een klaagzang houd voor een
scholekster juist een uiting van welbehagen is?
Een tweede reden waarom ik een beetje te doen heb met de scholekster, is dat ik
‘m tegenwoordig vaak aantref op of in de nabijheid van oerlelijke akkers.
Akkers met een vloerbedekking van zwart landbouwplastic waarop gewassen worden
geteeld. Het beeld van kinderen die ver weg in een arm land dag in dag uit op
een onafzienbare vuilnisbelt rondscharrelen in een poging te overleven, is dan
nooit ver weg. Waaraan hebben die kinderen dat te danken? Waaraan heeft zo’n
mooie, statige vogel dat te danken? Je gunt ‘m toch een sappig weiland of
plasdrasgebied? Of is de scholekster net zo’n opportunist als de mens? Gaat ook
hij liever voor snel gewin? Dient het gemak niet alleen de mens maar ook de
scholekster?
Een zeldzame verschijning in die tijd was de Haematopus ostralegus ofwel scholekster. Waarschijnlijk vanwege z’n zeldzaamheid én z’n oranjerode snavel was de scholekster – samen met de wulp (vanwege z’n naam en z’n gekromde lange snavel) – mijn favoriete vogel. Hoewel de scholekster hier tegenwoordig in groteren getale voorkomt en intussen de raaf voor mij aan de top van het vogelrijk staat, is mijn fascinatie voor de scholekster nooit verdwenen.


Geen opmerkingen:
Een reactie posten