
‘De diepste stilte heerscht hier om ons heen. “Niets spreekt meer tot den
denkenden geest dan puinen,” heeft August Snieders geschreven, en bij het
beschouwen van deze ruïne, rijzen er onwillekeurig allerlei gedachten in onzen
geest op. (…) Waar het oog thans over met ruigte en struiken bewassen
puinhoopen ziet, daar verhief zich tot in deze eeuw nog een trotsche,
middeleeuwsche burg uit breede grachten. De tufsteen, waarvan een gedeelte was
opgetrokken, wees op een hoogen ouderdom. De geschiedenis roemt de
krijgshaftigheid en de trouw zijner heeren aan hun vorsten; en wat zij deden
voor den dienst van Gods Huis, dat zal de nakomelingschap nog getuigen, als
deze puinhoopen reeds lang zullen weggeruimd zijn. (…) Sic transit. De beide
grachten hebben geen water meer; een schaap staat er rustig te grazen tusschen
de braamstruiken. Van de met goudleer behangen kapel is niets meer te onderscheiden,
in de gevangenkelders groeien distels en struweelen. (…) In 1840 begon men het
kasteel bij gedeelten voor afbraak te verkoopen en zoo is er heden ten dage
niets meer overgebleven dan die uitgestrekte puinhoopen met hun geheimzinnige
sagen. (…) Wij hebben onze onderzoekingen gestaakt. Weldra zullen wij de ruïne
verlaten, 't is een schilderachtig plekje; en wanneer die stukken muurs spreken
konden, wat zouden zij al niet weten te vertellen, sinds de zomerzon hen voor
't eerst bescheen.’ De anonieme tekst is afkomstig uit nummer 25 van jaargang 32 (1899-1900) van
de
Katholieke illustratie. De ansichtkaart is enkele decennia jonger.
Resteert de vraag welke familie (?) is geportretteerd.
Geen opmerkingen:
Een reactie posten