woensdag 10 maart 2021

Intermezzo – Tom Huijs

Voor wie per se lokaal wil stemmen bij landelijke verkiezingen is het ditmaal bijzonder overzichtelijk: je hebt de keus tussen Raymond en Tom. Mijn mening (en ergernis) over Raymond en zijn opvattingen heb ik hier al zeer geregeld gespuid. Tom Huijs, nummer 21 op de kandidatenlijst van de Libertaire Partij,


was op Horst-sweet-Horst tot vandaag een nog onbeschreven blad. Op de website van z’n partij (klik hier) wordt duidelijk waar hij voor staat:
‘Hij beroept zich graag op het “gezond boerenverstand” met het idee dat in een vrije markt de beste ideeën altijd zullen winnen. In een gestuurde markt worden minder goede ideeën geforceerd door een klein groepje mensen die denken de waarheid in handen te hebben, vaak met het tegenovergestelde als resultaat van dat wat men poogt te bereiken. Zijn politieke ambities zijn er dan ook allemaal op gericht om de overheid te verkleinen en daarmee de Nederlanders hun bewegings- en ademvrijheid terug te geven.’
Een heilig geloof in de vrije markt, een kleinere overheid? Niet meteen iets waar ik in geloof. Geen bewegings- en ademvrijheid voor Nederlanders? Overdrijven is ook een kunst. Gezond boerenverstand? Iets waar het CDA zich ook altijd op beroept. Zie en ruik waar dat toe leidt.


Is er dan helemaal niets dat me aanspreekt in de standpunten van de Libertaire Partij? Niets is teveel gezegd, maar wel weinig. Wat me kan bekoren: een (voorwaardelijk) basisinkomen, snellere integratie van nieuwkomers, terugdringen van de lobby van de vleesindustrie, stopzetten van Europese subsidies voor de intensieve veehouderij, een beter leven en welzijn voor dieren.


Ik hoop niet dat het ooit gebeurt, maar stel dat ik zou worden gedwongen tot een keus tussen Tom en Raymond, voor wie zou ik dan kiezen? Lastig. Ik denk dat de grondbeginselen van het CDA dichter bij mijn maatschappijvisie staan dan die van de Libertaire Partij. Van de andere kant stuit de uitvoering van die grondbeginselen door het CDA me tegen de borst. Net als het paternalisme, het cultureel conservatisme (van Raymond voorop) en het slippendragerschap van het agrarisch belang. Met het pistool op de borst zou ik daarom op Tom stemmen, niet zozeer uit overtuiging als wel uit nieuwsgierigheid waartoe zijn ideeën en die van zijn partij in de praktijk zullen leiden.


Hij had de andere partijen laatst trouwens wel mooi te pakken. Op Facebook en Instagram publiceerde hij deze foto,


met daaronder de tekst ‘Zo. Ik denk dat ik het plakken nu wel onder de knie heb. Even flink geoefend bij mij voor de deur.’ De rapen waren bij de anderen natuurlijk meteen gaar, maar een dag later bleek dat ze gephotofopt waren: ‘Het was maar een grapje. We houden het netjes.’

dinsdag 9 maart 2021

Intermezzo – Rein Bril (3)

Na mijn eerste stukje van een week geleden (klik hier) en de reactie daarop van Floor Hermans (klik hier) nu een derde bijdrage over Rein Bril. Of eigenlijk niet zozeer over Rein Bril als wel over de kunstscene in Broekhuizen(vorst) in de jaren zestig en zeventig van de vorige eeuw. Jan Janssen wees me op enkele publicaties over die kunstscene (waarvoor dank). In de eerste plaats op een passage uit Broekhuizen toen, een publicatie van Joeps van Hees uit 1984:

‘Het zijn ook de jaren ’50, ’60 en ’70 wanneer Broekhuizen “ontdekt” wordt door een aantal kunstenaars: diverse beeldende kunstenaars, beroepsmusici, weefsters, acteurs en theatermensen. (…) Deze “culturele bloeitijd” speelde zich af rond het Broekhuizense theatertje Mikro Skoop, een idee van de Venlonaren Hans Conen en Wilmy Peeters. Het theatertje bestond overigens slechts van 1968 tot 1975.’

Links het zogeheten Pelgrimhuis, rechts het pand waarin de Mikro Skoop was gevestigd (bron foto: Broekhuizen toen)
Jan attendeerde me ook op een interview van Thijs Lenssen in Buun 2003 met Wilmy Peeters. Daarin zegt ze over Mikro Skoop:
‘Het was het eerste minitheater van Limburg, we hadden een podium voor talent op het gebied van toneel, cabaret, muziek, dans en poëzie. Landelijk bekende artiesten zaten in ons programma: Boudewijn de Groot, Freek de Jonge en Bram, Liesbeth List, Ramses Shaffy, Lenny Kuhr, Joost Nuissl en zo kan ik nog even doorgaan. (…) Freek de Jonge heeft eens in zijn blootje door ons huis gerend. Joost Nuissl woonde een tijd lang bij ons, samen met zijn vriendin, evenals Theu Boermans.’

Hoe keken de dorpsbewoners eigenlijk tegen de hippie-enclave aan? Wilmy Peeters:
‘Voor het dorp was het schokkend wat er zich allemaal bij ons afspeelde, wij vonden het normaal, leefden ons leven. Zou het in de Randstad zijn geweest, dan was het allemaal nooit zo opgevallen.’
Dagblad De Limburger 2001
Een van de toenmalige buren verklaarde in 2001 tegenover Dagblad De Limburger:
‘Ik ben nooit binnen geweest. Ik wist dat het vreemde mensen waren. Na een feestje gingen ze met z’n allen naakt in de Maas zwemmen. En het schaap waar Wilmy de wol vanaf haalde om te weven (ze maakte onder andere wandtapijten, waarvan enkele in het gemeentehuis hingen) liep blatend door de straten.’

Joeps van Hees ziet het allemaal een tikkeltje anders:
‘Opvallend is, dat de echte Broekhuizense mensen zich nooit echt verzet hebben tegen de komst van die “buitendorpsen”: integendeel. De gemeenschap toonde zich, mits de nieuweling niet te excentriek deed of zichzelf buitensloot, zeer tolerant; aanvankelijk wat afstandelijk vriendelijk, maar uiteindelijk op een aangename wijze nieuwsgierig.’
Jan Janssen wees me overigens ook op de betekenis van multitalent Hans Conen (1944-2019), de voormalige echtgenoot van Wilmy Peeters, die na zijn Mikro Skoop-periode vooral in Duitsland naam maakte (klik bijvoorbeeld hier en hier). Daarover misschien een andere keer meer, maar nu nog even terug naar de man waarmee het begon: Rein Bril. Toen ik vorige week ontdekte dat er een door Maarten Beks geschreven publicatie over hem bestaat heb ik die natuurlijk meteen besteld. Rein Bril bevat negen zwartwit afbeeldingen van uit 1969 daterende werken van Bril. 


De begeleidende tekst van Maarten Beks is voor mij vaak tamelijk ondoorgrondelijk. Ter illustratie en ter afsluiting van dit stukje:
‘Het lukt weinig schilders om de ene partij een ergernis, de andere een dwaasheid te zijn, maar Bril slaagde daar geruime tijd wel in en dat voornamelijk, dacht ik, door zich te specialiseren in de vervaardiging van schilderijen, die hij noch iemand anders op dat moment zou kunnen maken.’

zondag 7 maart 2021

Intermezzo – Rein Bril (2)

‘Heeft iemand meer informatie over Rein Bril en meer in het bijzonder over zijn Noord-Limburgse tijd?’ Zo besloot ik afgelopen dinsdag het stukje (klik hier) over de ooit in Castenray en Broekhuizen woonachtige kunstenaar Rein Bril. Vaak komt er op zo’n vraag geen antwoord. Ditmaal wel, meerdere antwoorden zelfs. Van Floor Hermans, Jan Janssen en Arie Stas. Laatstgenoemde herinnerde zich dat hij Rein Bril eind 1978 of begin 1979 in Broekhuizen thuis had bezocht en maakte woensdag deze foto van dat pand in zijn huidige staat (waarvoor dank):


De reacties van Floor en Jan hebben met elkaar gemeen dat ze niet héél veel extra informatie over Rein Bril verschaffen, maar wel de broodnodige context. Om hun reacties recht te doen én om te voorkomen dat dit stukje veel te lang wordt, verpak ik ze in twee afzonderlijke posts. Een dezer dagen aandacht voor hetgeen waarop Jan Janssen me attendeerde. Vandaag maak ik de weg vrij voor Floor, die in een uitvoerige mail en uit de eerste hand een prachtig beeld schetste van de kunstscene in Broekhuizen(vorst) in de jaren zestig en zeventig:

‘Rein Bril is mij wel bekend. Ik heb hem leren kennen toen hij in Broekhuizen woonde, in een heel groot oud huis op de grens met Broekhuizenvorst. In Broekhuizen woonden toen meerdere beeldende kunstenaars en andere alternatievelingen die zich bezighielden met muziek en er was zelfs een heus theatertje waar de crème de la crème van de Nederlandse kleinkunst regelmatig acte de présence gaf. Dit theatertje met de naam Mikro Skoop werd gerund door Hans Conen en zijn vrouw Wilmy Conen-Peeters. Wilmy maakte ook enorme abstracte wandkleden van schapenwol die ze zelf geverfd had met natuurlijke kleurstoffen. Hans gaf les in Venlo, runde het theater en initieerde diverse kunstprojecten die nogal opzien baarden. Zo reed hij bijvoorbeeld rond in een auto die er uitzag als een ruimteschip met grote glazen koepels op het dak. Behalve uit Rein Bril bestond het contingent beeldend kunstenaars uit meerdere personen die ik me op dit moment niet allemaal herinner maar waarvan Mathieu Knippenbergh en Toon van de Ven de bekendsten zijn. In Broekhuizenvorst hadden Lydia Luyten (naaldkunstenares) en Joop Sorky (beroepsactivist en provo van het eerste uur) zich gevestigd in een onbewoonbaar verklaarde woning op de grens met Swolgen. Zij kwamen uit Amsterdam.

Lydia Luyten met haar zoon Milo voor haar onbewoonbaar verklaarde woning aan de Krienestraat in Swolgen (foto afkomstig uit een dagboekje van Lydia Luyten)
Bijna iedereen maakte gebruik van de toentertijd geldende contraprestatieregeling voor beeldende kunstenaars die voorzag in een uitkering op bijstandsniveau. Om voor deze regeling in aanmerking te komen werd je werk beoordeeld door een commissie en als die haar fiat gaf bepaalde die tevens hoeveel daarvan je moest inleveren bij de gemeente om die uitkering min of meer te compenseren (contraprestatie). Op het gemeentehuis en bij de sociale dienst kwam je het overal tegen en de rest verdween in de kelders van het gemeentehuis. Ik acht het zeer waarschijnlijk dat zich in het depot van de gemeente Horst aan de Maas ook werk van Rein Bril bevindt.

Rein Bril (foto afkomstig uit Maarten Beks, Rein Bril)
Verder noem ik Joost Nuissl (hij woonde in Broekhuizenvorst) die enorm veel succes had met ‘Ik ben blij dat ik je niet vergeten ben’, dat tot stand kwam in samenwerking met de Vorster fanfare en Martijn Alsters, de fluitist, alsmede Nard Reijnders, saxofonist bij Herman van Veen, componist en muziekproducent.’

vrijdag 5 maart 2021

Intermezzo – Fusie

Zeggen dat de verhouding tussen Horst en Venray lange tijd wat gecompliceerd is geweest, is een understatement. Ter illustratie drie voorbeelden uit weekblad Peel en Maas. Het eerste dateert uit 1949:

‘Horst, dat sinds dat Venray geslagen machteloos neerligt, tracht ’t centrum van Noord-Limburg te worden. Dit achteruitzetten van Venray, dat tracht overeind te komen, is heel erg.’
Drie jaar later:
‘Allerlei oorzaken uit het jongste verleden tot in de grijze ouderdom hebben hier een allerminst prettige situatie doen ontstaan, die zelfs zeer verstandige mensen uit beide plaatsen lijnrecht tegenover elkaar zet. En dat niet alleen op een terrein zoals b.v. de voetbalsport, maar practisch op alle gebied.’
In 1960 vallen de Venrayse superioriteitsgevoelens amper nog te beteugelen:
‘We zijn chauvinist genoeg om diep in ons hart er van overtuigd te zijn, dat we Horst ver en ver overvleugeld hebben. Mochten we vroeger met Horst nog wel eens kiften, tegenwoordig vinden we dat die buurt-gemeente feitelijk geen partij meer voor ons is.’


Zestig jaar later zijn de scherpste kantjes er wel vanaf, dunkt me. Het dorpse Horst en het stadse Venray staan niet meer ‘practisch op alle gebied’ lijnrecht tegenover elkaar, maar voornamelijk of uitsluitend nog op (voetbal)sportgebied. Rivaliteit is gereduceerd tot folklore. Van de een die de ander achteruit probeert te zetten is niet langer sprake. Van kiften evenmin, hoogstens van plagen. Er zijn zelfs tekenen die erop duiden dat er iets moois aan het groeien is. Hoe vertederend bijvoorbeeld dat een aantal (helaas) overbodige Horster platanen vorige week in Venray een tweede leven hebben gekregen.


En wat te denken van het voorgenomen onderzoek naar een mogelijk samengaan van de lokale omroepen van Horst aan de Maas en Venray? Nog meer? Beide gemeenten werken op een aantal terreinen samen. En politiek Horst aan de Maas schaarde zich onlangs unaniem achter de oproep voor behoud van de huisartsenpost in Venray.  


De geschiedenis van morgen wordt vandaag geschreven. Kan het zo zijn dat de toenadering van vandaag de aanzet vormt tot de fusiegemeente van morgen of overmorgen? Ik zou er eerlijk gezegd niet rouwig om zijn en zou er ook niet van opkijken. Wel misschien tijd om alvast eens te gaan nadenken over een naam. Het wangedrocht ‘Horst aan de Maas’ heeft aangetoond dat je daar niet vroeg genoeg mee kunt beginnen. Zullen we ‘Lollebeek’ al bij voorbaat uitsluiten van deelname? Net als alle opties waarin de woorden ‘Peel’ of ‘Maas’ voorkomen? En eigenlijk ook alles dat eindigt op ‘-beek’? Hoewel: op quasidiepzinnige namen als ‘Meanderstad’ of ‘Symbiose’ zitten we natuurlijk nog veel minder te wachten. Wat dacht u van ‘Varkensstal’? Of ‘Big City’? Of ‘Knortok’?

(Dit stukje verscheen afgelopen woensdag in ingekorte vorm in Via Horst-Venray)

donderdag 4 maart 2021

Ingezonden – Nu doorpakken

Nog een kleine twee weken en dan valt er weer iets te kiezen ... De ingezonden bijdrage van gisteren van Jan Duijf (klik hier) inspireerde Lotte Spreeuwenberg op haar beurt tot een ingezonden bijdrage:


NU DOORPAKKEN

Nu doorpakken... met een demissionair kabinet. (Verantwoordelijkheid nemen is voor linkse losers, toch?)

Nu doorpakken... met het negeren van institutioneel racisme. (Die belastingaffaire was gewoon een foutje, toch?)

Nu doorpakken... met het negeren van klimaatverandering. (Klimaatdoelen 2020, eh 2030, eh 2050, dat is nog ver weg, toch?)

Nu doorpakken... met het kapitaliseren van zorg. (Je kan gewoon voor die mensen klappen, toch?) 

Nu doorpakken... met het negeren van kinderen in Moria. (Naastenliefde geldt alleen voor 'ons', toch?)

Nu doorpakken... met het subsidiëren van multinationals. (Trickle down economics, toch?)

Nu doorpakken... met megastallen. (Massaal en machinaal omgaan met levende wezens: dát is vooruitgang, toch?)

Nu doorpakken... met het kapitaliseren van onderwijs. (Een studieschuld van € 50.000, dat is maar een jaartje werken, toch?)

Nu doorpakken... met Wopke's Vrekkige Vier in de EU. (Want eh, wat ik net zei over naastenliefde.)

Nu doorpakken... met het negeren van fascistische retoriek van collega's. (Het CDA is verbindend, neutraal en er zijn altijd twee kanten, toch?)

Nu doorpakken... met het negeren van woningnood. (Die verhuurdersinkomsten van dat extra huisje betalen zo fijn de studie van de kinderen, toch?).

Nu doorpakken... met halfslachtig pandemiebeleid. (Nederland loopt voorop, toch? Met vaccineren en zo? Huh, hoe bedoel je met besmettingen?)

Nu doorpakken.

Nu doorpakken?

Nu doorpakken?

Toch?

woensdag 3 maart 2021

Ingezonden – Kieswijzer voor Horst aan de Maas

Waar zouden we zijn zonder kieswijzer? Horst-sweet-Horst ontving van Jan Duijf (Kloosterstraat Horst) een kieswijzer voor Horst aan de Maas:


KIESWIJZER VOOR HORST AAN DE MAAS

Wopke

Wopke of Knops

Wopke of Knops

Wopke of Knops

Wopke of Knops

Wopke of Knops

Wopke of Knops

Wopke of Knops

 

Knops 

Knops of Wopke

Knops of Wopke

Knops of Wopke

Knops of Wopke

Knops of Wopke

Knops of Wopke

Knops of Wopke

 

Wopke of Knops

Knops of Wopke

Wopke of Knops

Knops of Wopke

Wopke of Knops

Knops of Wopke

Wopke of Knops

Knops of Wopke

 

Wops of Knopke

Knopke of Wops

Wops of Knopke

Knopke of Wops

Wops of Knopke

Knopke of Wops

Wops of Knopke

Knopke of Wops

dinsdag 2 maart 2021

Intermezzo – Rein Bril (1)

Het oneindige laagland tussen Leunen en Castenray is niet bepaald het mooiste wat Noord-Limburg te bieden heeft. Akkers, stallen en her en der wat boerderijen, dat is het wel zo’n beetje. Geen omgeving waar je moderne kunst verwacht. Toch zou het zomaar kunnen zijn dat hier mijn eerste kennismaking met dit fenomeen heeft plaatsgevonden. 

Zo is het verankerd in mijn geheugen: begin jaren zeventig, ik ben een jaar of 6, rijd ik met mijn vader over de doorgaande weg van Leunen naar Castenray. Iets voorbij bushalte Het Schoor staat aan de rechterkant van de weg een bordje met het opschrift ‘Expositie’. We volgen het bordje en komen uit bij een oude boerderij. Daar woont Rein Bril, kunstenaar. Daar ook eindigt mijn herinnering. Hebben we de expositie bezocht? Hebben we Rein Bril gesproken, zijn werk gezien? Of kwamen we aan een gesloten deur? Soms zou je willen dat je herinneringen wat minder vaag zijn.

Balans-beelden, 2004; klik hier voor bron foto

Ik kon die boerderij daarna nooit meer passeren zonder de gedachte aan Rein Bril. Daar bleef het dan vervolgens ook bij. Totdat ik er laatst weer eens aan voorbijkwam. Na thuiskomst besloot ik een internetonderzoekje aan Rein Bril te wagen. Wie is of was Rein? Wat voor werk maakt(e) hij? Hoe raakte hij in die boerderij verzeild? Waarom en wanneer vertrok hij er weer? Exposeerde hij er inderdaad begin jaren zeventig?

Klik hier voor bron foto

Mijn hoop op internet zijn volledige levensverhaal aan te treffen bleek ijdel. Ik moet het doen met wat snippers. Samengevat: Rein Bril werd in 1945 geboren in het Groningse Usquert en overleed in 2012 in het Friese Twijzel, waar hij een beeldentuin had. Hij heeft op een aantal plaatsen gewoond, zo ook in Castenray, waar hij in 1970 of 1971 ‘mijn’ in vervallen staat verkerende boerderij (‘Vens Pláts’) kocht van Mia Weijs. In 1976 zou hij in Broekhuizenvorst hebben gewoond. 1978: ‘In Galerie Libra in Broekhuizen exposeert schilder-tekenaar Rein Bril. De galerie wordt gerund door zijn vrouw.’ 

Hij maakte driedimensionaal werk, schilderijen, aquarellen en pentekeningen. Zijn werk werd vanaf 1965 op tal van plaatsen geëxposeerd. In het Franse Gondrin vond in 2016 zelfs een postume solo-expositie plaats, een voortvloeisel uit een lang verblijf in Frankrijk. Twee jaar eerder was werk van hem te zien op een expositie in het Venrays Museum. 

De vader / warrior, 2005; klik hier voor bron foto

Heeft iemand meer informatie over Rein Bril en meer in het bijzonder over zijn Noord-Limburgse tijd? Laat het me svp weten via horstsweethorst@gmail.com!

(Dit stukje verscheen op 16 september 2020 in iets andere vorm in Via Horst-Venray)

zondag 28 februari 2021

Intermezzo – Arbeidsmigranten (2)

Afgelopen dinsdag sprak de Horster gemeenteraad weer ruim anderhalf uur over arbeidsmigranten en hun huisvesting (klik hier en ga naar 22 minuten). Geërgerd vroeg Eric Brouwers (CDA) zich af hoe het kan dat de huisvesting van arbeidsmigranten zó vaak op de agenda staat. Tja, hoe zou dat komen? Burgemeester Ryan Palmen gaf het antwoord dat het geachte gemeenteraadslid zelf ook wel had kunnen verzinnen: omdat dit een belangrijk maatschappelijk vraagstuk is én omdat het gepraat erover aantoont dat naar oplossingen wordt gezocht.


De inbreng van Eric Brouwers getuigde, net als die van Yvonne Douven (VVD), trouwens op wel meer punten van een schrijnende naïviteit. Of is het blindheid voor de feiten? Eric Brouwers: ‘Het uitgangspunt in de diverse dialogen is dat er wandaden zijn rond de huisvesting van arbeidsmigranten. Ik ken ze niet. Op het moment dat iemand ze weet, zou ik ze graag willen horen.’ Yvonne Douven: ‘De SP heeft het over betere arbeidsvoorwaarden. Ik vind dat echt iets uit de prehistorie. Ik wacht nog steeds op de voorbeelden, ik krijg ze nooit van iemand, kom ermee.’


Onbegrijpelijk dat beide raadsleden zo volstrekt buiten de Horster realiteit leven, maar ik wil ze best even aan het handje nemen en wat voorbeelden van wandaden opsommen: woekerprijzen voor kamers, huisvesting door de werkgever, exorbitante vergoedingen vragen voor het gebruik van wasmachines, met teveel mensen in te kleine ruimten moeten leven, van de ene op de andere dag uit je huis worden gezet, huisvestingskosten inhouden op het loon, nóóit een vast contract krijgen, rondpompen van werknemers, overuren niet uitbetaald krijgen, coronaregels aan de laars lappen, stelselmatig te veel uren moeten maken, geen oog voor gezondheidsbelangen. Enzovoort enzovoort. Kijk anders ook even op Horst-sweet-Horst, Eric en Yvonne, zoek daar op ‘Polen’ of ‘arbeidsmigranten’ en je vindt beslist nog meer voorbeelden.


Gelukkig zijn er ook partijen met meer oog voor de werkelijkheid. Zo pleitte de SP voor huisvesting onder regie van de gemeente. Is me uit het hart gegrepen omdat de afgelopen 25 jaar hebben aangetoond dat werkgevers deze verantwoordelijkheid niet aankunnen (de weinige goede uitzonderingen niet te na gesproken).


D66+GroenLinks is voorstander van een pas op de plaats, zo bleek uit de bijdrage van Eveline Baas: voorlopig geen vergunningen meer voor huisvesting van arbeidsmigranten in het buitengebied, eerst maar eens orde op zaken stellen. ‘Daarvoor is het nu niet het juiste moment’, aldus Richard van der Weegen (PvdA), die verder het kritische betoog van D66+GroenLinks grotendeels onderschreef.


Besluiten werden dinsdag nog niet genomen, eerst wordt er verder gepraat. Tot twee keer toe in april, maar ook komende dinsdag al. Ongetwijfeld tot ergernis van Eric Brouwers. Tip voor hem en ook voor Yvonne Douven: diezelfde dinsdag organiseert de SP Limburg een livestream over arbeidsmigratie. Een van de sprekers is Bart Plaatje van de FNV, die zich al enige tijd bezighoudt met de uitbuiting van arbeidsmigranten. Misschien toch even naar luisteren, Eric en Yvonne, hij zal mijn lijstje met voorbeelden ongetwijfeld kunnen aanvullen. Klik hier voor meer informatie over deze livestream. 

vrijdag 26 februari 2021

Intermezzo – Zonneweides (1)

Iedereen wil het, maar niemand wil ze. Zo zou je in zeven woorden kunnen samenvatten hoe Nederland over duurzame energie denkt. Iedereen is er voorstander van, maar zodra er plannen zijn voor windmolens of zonneweides bij hem of haar in de achtertuin, begint iedereen te steigeren. Zo ook in Horst aan de Maas. Op die manier wordt het natuurlijk nooit wat met die ‘energietransitie’, zoals het in jargon heet.


Wat kan helpen bij het ‘meenemen’ van burgers is eerlijke en duidelijke communicatie. Beide ontbreken vooralsnog bij ‘Energielandschap Mariapeel’ in en om America, Griendtsveen en vooral Evertsoord. De verantwoordelijke Horster wethouder, Thijs Kuipers (D66+GroenLinks), reageerde in mei vorig jaar furieus op plannen voor een zonne-energiepark van honderd hectare in Evertsoord. En wat gebeurt er? Een half jaar later scheidt de gemeente Horst aan de Maas onder regie van diezelfde wethouder een nota af waarin het gebied tussen Mariapeel en Midden Peelweg in en om Evertsoord, America en Griendtsveen wordt aangemerkt als ‘kansrijk’ voor 250 à 300 hectare zonneweides, mogelijk aangevuld met drie windturbines.


In de nota heet het dat dit gebied onder meer ‘interessant om te verkennen’ is vanwege de openheid van het landschap en de functionele verkaveling (grote, rechthoekige kavels). Als liefhebber van die voor Horst aan de Maas unieke oneindige leegte (waarachter een verhaal van eeuwen schuilgaat) lijken me dat dan juist argumenten om niet eens aan die verkenning te beginnen. En aanvoeren dat ‘De Mariapeel eigenlijk altijd al een energielandschap [is] geweest’, is een gelegenheidsargument, een doelredenering, een gotspe. Met evenveel recht zou je kunnen zeggen ‘De Mariapeel is altijd al het haasje geweest, nu moet het maar eens de beurt zijn aan een ander gebied’. 


De nota wekt de schijn dat alles nog open is. Het begrip ‘verkenning’ draagt daar aan bij. Maar als je goed en hier en daar een beetje tussen de regels door leest, kom je tot de conclusie dat als Horst aan de Maas zonneweides krijgt, het al een uitgemaakte zaak is wáár die komen en dat de verkenning meer bedoeld is voor het hoe en wat. Dat kan en mag, maar ben er dan gewoon eerlijk en duidelijk over.


In de nota staat wel heel duidelijk dat ook de mogelijkheden voor windenergie in Evertsoord worden verkend: ‘Er is ruimte voor drie windturbines in lijnopstelling.’ En wat schrijft gemeenteraadslid Frenk Peeters (CDA) anderhalve week geleden op Facebook (klik hier): ‘Bevestiging van Thijs Kuipers gekregen dat windturbines in dit oriëntatiegebied niet aan de orde zijn.’ Als bestuurder moet je er dan niet héél vreemd van opkijken als al dit gedoe leidt tot burgergesteiger (te meer omdat juist vorige week een aantal deskundigen in Nieuwsuur (klik hier) grote vraagtekens zette bij de noodzaak van zonneweides).

(Dit stukje verscheen afgelopen woensdag in iets verkorte vorm ook in Via Horst-Venray)

maandag 22 februari 2021

Intermezzo – Prentbriefkaart (3)

Een maand geleden publiceerde ik twee stukjes over een prentbriefkaart die Dora Lucas in juni 1899 schreef aan twee van haar zussen (klik hier en hier).


Dora was een dochter van Hendrik Lucas, textielfabrikant in Horst en bewoner van de villa aan de Venloseweg die tegenwoordig Renschdael heet. In reactie op die twee stukjes ontving ik deze week een uitvoerige, bijzonder interessante e-mail van een van de kleinzonen van Dora Lucas. Met diens toestemming publiceer ik die hier:

‘Tot mijn aangename verrassing trof ik op uw blog een kaartje aan van mijn grootmoeder Dora Lucas. Er zijn jammer genoeg maar erg weinig brieven van haar bewaard gebleven. Uw analyse is een juiste. Hoewel ik mijn grootmoeder nooit gezien heb komt zij uit de familieverhalen naar voren als een betrokken, vriendelijke en ontwikkelde vrouw. Met dat vleugje humor, ironie ook. Over de vroege jeugd van mijn grootmoeder is niets bekend. Mijn grootmoeder deed op 15 maart 1891 in Horst haar eerste Heilige Communie, dat weten we wel.

Het gedicht dat Hélène, de oudere zus van Dora, in 1891 voordroeg toen Dora haar eerste communie deed
Zij bezocht, net als haar zussen en haar dochters, het Pensionaat Jeruzalem in Venray. Op het moment van het schrijven van de kaart was zij weer woonachtig in Horst. Kort daarna is zij met haar ouders verhuisd, naar Blerick, naar de Pontanusstraat. Mijn overgrootouders hebben daar tot hun overlijden in 1915 en 1917 gewoond.

Mijn overgrootmoeder Johanna Jacoba Hoeken was geboren in Well. Na het vroege overlijden van haar moeder is zij naar Rotterdam verhuisd. Niet lang voor haar huwelijk volgde weer een verhuizing en nu naar Beugen, bij Boxmeer. Na het huwelijk met mijn overgrootvader keerde zij dus weer terug in het Limburgse.

Mijn overgrootvader, Hendrik Engelbert Lucas was een actieve en optimistische man, een liefhebber van muziek, zo hoorde ik van mijn moeder. De formele stukken van zijn naturalisatie tot Nederlander, dat is nog wel interessant om te vermelden, zijn in 1878 getekend in Arolsen, Noord-Hessen, Duitsland. Dat gebeurde door Koning Willem III die toen verbleef bij zijn aanstaande schoonfamilie, de ouders van de latere Koningin Emma von Waldeck Pyrmont.

Bijzonder om hier te schrijven is dat mijn grootmoeder in 1903 een reis naar Rome heeft gemaakt. Ook heeft zij een jaar doorgebracht in Bad Ems. Daar heeft zij haar Duits verbeterd en leerde er hoe zij leiding moest geven aan een huishouden. Je kunt het je niet meer voorstellen. In het voorjaar van 1913 is zij getrouwd met mijn grootvader en naar Arnhem, later naar Nijmegen verhuisd.

Het kaartje stuurde zij naar haar zusters Phien Lucas en Jacoba Lucas, die na mijn grootmoeder nog op het Pensionaat zaten. Phien is later getrouwd met Jan Koning, huisarts te Rotterdam. Jacoba is de enige van de zusters die in Limburg is blijven wonen. Zij huwde Josephus Erens uit Schaesberg en woonde er op Huize de Kamp.

De oudste zuster, Hélène Lucas, trouwde in 1901 met Jan Pessers. Zij ging wonen aan de Markt in Eindhoven. Mijn overgrootouders hadden nog drie kinderen. Een tweeling, een jongetje en een meisje die kort na de geboorte zijn overleden. Er was ook nog een zoontje, Theodor. Hij overleed, 3 jaar oud, een maand na de geboorte van mijn grootmoeder.

Mijn overgrootvader had geen kinderen die hem konden opvolgen in het bedrijf, vandaar dat hij het van de hand heeft gedaan. De zuster van mijn overgrootvader, ook Helena genaamd, woonde ook in Horst. Zij is ook mee naar Blerick verhuisd. Zij was blind of nagenoeg blind. Zij is overleden in 1920.

De jongste broer van mijn overgrootvader, Benjamin, was ook zijdefabrikant. Eerst samen met mijn overgrootvader in Horst, later zelfstandig. Hij verhuisde weer naar Dülken waar de familie Lucas vandaan komt. Aan de Viersenerstrasse 62 staat het huis nog waarin hij heeft gewoond. Hij overleed, nog maar 44 jaar oud, in 1893.

De vier zussen Lucas hebben hun leven lang een goed onderling contact gehad. En langzaamaan zijn de herinneringen aan de plaats waar zij opgroeiden steeds verder naar de achtergrond verschoven. Gelukkig dat door de plaatsing van het kaartje ik toch weer een puzzelstukje heb kunnen toevoegen aan het beeld dat ik van mijn grootmoeder heb. Veel dank daarvoor.



Die dank is geheel wederzijds: de reactie van deze kleinzoon van Dora plaatst mijn stukjes in een breder kader en vormt toch weer een welkome kleine toevoeging aan de geschiedenis van Horst. De prentbriefkaart gaat overigens een dezer dagen op de post naar deze kleinzoon van Dora. Als de kaart namelijk érgens op haar plaats is, dan wel in het familiearchief.

zondag 21 februari 2021

Intermezzo – Stinkend rijk worden (2)

In mei vorig jaar schreef ik een stukje over mestverwerker Willems in America (klik hier). Citaat:

‘Die verwerkt jaarlijks meer dan drie keer zoveel mest als vergund, heeft een illegale mestsilo en een defect mestbassin. Bovendien ontbreken hier en daar luchtwassers. Omwonenden klagen over stank, de Regionale Uitvoeringsdienst (RUD) maakt zich zorgen over de volksgezondheid.’
En nota bene dat bedrijf had een aanvraag gedaan bij de provincie Limburg om de mestverwerkingscapaciteit op te voeren van 80 duizend tot 450 duizend ton. Bijna zes keer zoveel! En de provincie vond het nog goed ook! Dat Willems de zaak in het verleden had bedonderd, leek verantwoordelijk gedeputeerde Ruud Burlet (toen nog Forum voor Democratie, nu JA21) niet te deren: ‘Het is ondernemers eigen dat ze vaak voor de muziek uitlopen.’


Intussen zijn we een klein jaar verder. De kranten hebben er vol over gestaan, de gemeenteraad heeft er talloze malen over gesproken. Ik deed er het zwijgen toe. Omdat het me allemaal te ingewikkeld en te ondoorzichtig werd. Over dat ingewikkelde: als ik goed heb opgelet draait alles om de vraag of een bepaald filter wel of niet in een bestemmingsplan is opgenomen en om de vraag of de gemeente al dan niet een verklaring van geen bezwaar dient af te geven. Over dat ondoorzichtige: gemeentebestuur en gemeenteraad zeiden de strijd aan te binden met de provincie over de gigantische uitbreiding van de mestcapaciteit, maar in hoeverre de CDA-vertegenwoordigers in gemeentebestuur en -raad ondertussen geen dubbelspel speelden, bleef me onduidelijk.


Helemaal doorzichtig zal het wel nooit worden, maar als gemeenteraadslid Henk Kemperman (D66+GroenLinks) – deze week in Hallo Horst aan de Maas – schrijft ‘Inmiddels is wel duidelijk dat de meerderheid van de raad (ook het CDA) de mening van het college deelt‘ neem ik aan dat dat klopt.


Resteert het ingewikkelde. Bij nader inzien heb ik het zelf te ingewikkeld gemaakt. Het is eigenlijk heel simpel: het zou volkomen van de pot gerukt en schandalig zijn en tegen elk rechtsgevoel ingaan als een ondernemer die willens en wetens allerlei regels aan zijn laars lapt en stankoverlast veroorzaakt als beloning zes keer zoveel stront zou mogen gaan verwerken. Zoals wethouder Thijs Kuipers in mei tegenover De Limburger verklaarde: ‘We worden beboet op de snelweg als we 5 procent te hard rijden, maar deze ondernemer doet 400 procent teveel.’


Komende dinsdag spreekt de gemeenteraad opnieuw over het Americaanse mestverwerkingsbedrijf. Wat zou mijn achting voor het CDA stijgen als de gemeenteraadsfractie zich dan zonder mitsen en maren luid en duidelijk keert tegen de uitbreiding. Zo luid en zo duidelijk dat het tot in Maastricht te horen is. 

zaterdag 20 februari 2021

Top 5 – Horster benamingen die ondanks een nieuwe naam toch onder hun oude naam blijven voortleven

‘Is Sport in Biëld ál begôs?’, placht mijn vader zaliger gedachtenis op zondagavond omstreeks zeven uur te vragen. Ook toen Sport in Beeld al tientallen jaren geen Sport in Beeld meer heette maar Studio Sport. Nog extremer was het met het plaatselijke weekblad De Echo van Noord-Limburg: opgericht in 1947 maar in huize Moorman ging het blad tot aan zijn verdwijnen afwisselend door het leven onder de naam ’t Klökske (dialectafkorting voor Kerkklokje, een voorganger van De Echo die bestond van 1930 tot 1932) en Horster Bode (een andere voorganger van De Echo die bestond van 1932 tot 1941).


En vanmiddag heb ik gewandeld in de Kasteelse Bossen (dan wel Kstiëlse Bös dan wel Moelbaerenbos) en niet in Kasteelpark Ter Horst. (Of is die uit 2009 daterende potsierlijke naam intussen samen met Afslag10 op de mestvaalt beland, waardoor je ook officieel weer Kasteelse Bossen mag zeggen?)


Waarmee maar weer eens is bewezen dat er leven is na de dood. De grootste eer die je een verdwenen naam kunt bewijzen: ‘m ook na z’n verdwijning blijven gebruiken. De lijst van postuum voortlevende Horster benamingen zou wel eens behoorlijk lang kunnen zijn en bovendien familie- en gezinsafhankelijk, misschien zelfs buurtafhankelijk. Desondanks wil ik het er toch op wagen, een top 5 van Horster benamingen die ondanks een nieuwe naam toch onder hun oude naam blijven voortleven. Mocht ik er een aantal hebben gemist? Laat maar weten, dan komt er binnenkort een nieuwe top 5. Voor nu zult u het met deze moeten doen:   

5. Vonderseweg


Vonderseweg of Vondersestraat, that’s the question. Al mijn hele leven lijd ik aan het Vondersestraat/weg-dilemma. Ook nadat in 2015 uit diepgaand Horst-sweet-Horst-onderzoek (klik hier) was gebleken dat het Vondersestraat is – nota bene al sinds de jaren zestig – blijft het dilemma nog wel eens opspelen.  

4. ’t Centrum


Zou het zo kunnen zijn dat het aantal mensen dat autobusvervoerder Munckhof Reizen nog altijd ’t Centrum noemt ongeveer even klein is als het aantal mensen dat (voormalig) café ’t Centrum nu Proeflokaal van Horst noemt?  

3. ROZAH / Reindonk


ROZAH is er bij mij na 25 jaar intussen wel zo’n beetje uitgesleten. Omroep Horst aan de Maas is er ook na anderhalf jaar nog niet ingesleten.  

2. Grubben


‘Op het kruispunt bij Grubben rechts.’ ‘De Gebroeders Van Doornelaan? Oh, je bedoelt die straat waar Grubben ligt!’ Naar schatting al een jaar of veertig geen spoor meer te bekennen van minisupermarkt Grubben. Desondanks leeft ze voort in de herinnering. En in de naam. Waarschijnlijk alleen bij mij.

1. Willems & Rietjens


Willems & Rietjens vestigde zich (denk ik) in 1976 in winkelcentrum(pje) Kloosterhof. Naar schatting tien jaar later verdween ‘& Rietjens’ van het toneel en bleef Willems over. Vijftien jaar geleden ging Willems met pensioen en werd Willems Bruna. En toch is Willems & Rietjens blijven voortleven. Misschien nog wel meer dan Willems. Niemand die je meewarig aankijkt als je zegt dat je naar Willems & Rietjens gaat. Hoelang nog?

maandag 15 februari 2021

Intermezzo – Garage Willems (2)

‘Nów ’t nag kán, wà’, zegt de passerende man. Inderdaad. Nu het nog kan, foto’s maken van garage Willems.


Binnen nu en enkele maanden is het gedaan met het mooiste gebouw van Horst. De schepping van de lokale architect Lei Martens uit de jaren zestig van de vorige eeuw moet plaatsmaken voor een appartementencomplex. Ik heb al eerder geschreven hoe zonde dat is (klik hier). Toch doet het weer pijn, nu ik er op deze zonovergoten ijskoude zondagmorgen min of meer toevallig aan voorbijloop.


De kwalificatie ‘het mooiste gebouw van Horst’ gaat misschien wat ver. Als ik morgen langs een andere Horster eyecatcher loop, is beslist de kans aanwezig dat ik die bombardeer tot het mooiste gebouw van Horst. Maar de stelling dat garage Willems behoort tot het allerbeste wat Horst aan naoorlogse architectuur te bieden heeft, zou ik best willen verdedigen.


Probeer het eens: denk het hekwerk weg, denk die geparkeerde auto’s weg, denk al die belettering in al die verschillende lettertypen weg, denk die dichtgeplakte ramen weg. Blijft er dan geen sprankelend, niets verhullend, transparant gebouw over? Een gebouw dat is wat het is: beton, veel glas, hoge plafonds, rechte lijnen, geen tierlantijntjes.


Nee, niet elk gebouw kan en hoeft behouden te worden. Maar dat beeldbepalende naoorlogse gebouwen als het ziekenhuis, de verpleegstersflat en nu garage Willems en ook de gebouwen op het terrein van de voormalige Pluimveevakschool in Hegelsom zonder enige discussie worden gesloopt, stuit me tegen de borst. Venray heeft op dit gebied ook een naam hoog te houden, maar werkt inmiddels wel aan een inventarisatie van wederopbouwarchitectuur. Wat let Horst aan de Maas om hetzelfde te doen?


Wie het allemaal maar onzin vindt, dat behoud van wederopbouwarchitectuur, zou eens een bezoekje moeten brengen aan de voormalige brandweerkazerne in Maastricht. In veel opzichten vergelijkbaar met garage Willems, met dit verschil dat die laatste misschien wel nóg sprankelender is. En dat de brandweerkazerne behouden is gebleven en in een culinaire, creatieve en culturele hotspot is omgetoverd.